Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Inleiding
1en is besluit van 4 juni 2021 vernietigd. De staatssecretaris is opgedragen om, met inachtneming van de uitspraak, een nieuw besluit te nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft de uitspraak van 15 maart 2022 op 26 juli 2022 bevestigd.
Voorgeschiedenis en totstandkoming van het besluit
2bevestigd. Daarmee staat het besluit van 17 januari 2018 in rechte vast.
3is het beroep tegen dit besluit door deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, ongegrond verklaard. Het door eiseres ingestelde hoger beroep is door de Afdeling op 29 september 2020
4ongegrond verklaard.
5het door eiseres gedane verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Bij uitspraak van 15 maart 2022
6heeft deze rechtbank het door eiseres ingestelde beroep tegen het besluit van 4 juni 2021 wegens het niet horen gegrond verklaard, het besluit van 4 juni 2021 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van de uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
7. De voorzieningenrechter heeft over die stukken in de uitspraak van 9 juni 2021 reeds een oordeel geveld, namelijk dat de staatssecretaris deze stukken onvoldoende heeft kunnen vinden voor het aannemen van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiseres en referent, nu deze stukken zien op een zeer beperkte periode 2019 terwijl eiseres stelt met referent vanaf 2011 een relatie te hebben en de foto’s een momentopname betreffen. De rechtbank ziet geen aanleiding om over deze stukken anders te oordelen dan zoals de voorzieningenrechter heeft gedaan. De staatssecretaris heeft het bevreemdend mogen vinden dat er sindsdien geen andere stukken aanwezig zijn waarmee eiseres had kunnen aantonen op welke wijze zij met referent invulling geeft aan de relatie. Dat referent medische klachten heeft, op leeftijd, dat zij en referent veel thuis zitten en geen gebruik maken van sociale media, maakt niet dat de staatssecretaris eiseres heeft mogen tegenwerpen dat de gestelde relatie onvoldoende is onderbouwd. Het lag namelijk op de weg van eiseres, zoals ter zitting terecht door de staatssecretaris is gesteld, om in dat geval op andere manieren de gestelde relatie aannemelijk te maken, waarbij in ieder geval voorop staat dat het op de weg van eiseres (en referent) lag om recente stukken aan te dragen, temeer nu eiseres en referente stellen vanaf 2011 een relatie te hebben met elkaar. Het ter zitting overgelegd gewaarmerkt afschrift uit de basisregistratie personen van 9 maart 2023 waaruit volgt dat eiseres sinds 10 juni 2011 staat ingeschreven op het adres van referent heeft de staatssecretaris onvoldoende mogen vinden. De rechtbank acht het bovendien niet begrijpelijk dat van de referent taal noch teken is vernomen, en ook van de zijde van eisers geen uitleg is gekomen waarom referent zich niet met deze procedure heeft bemoeid. De beroepsgrond slaagt niet.