ECLI:NL:RBDHA:2023:1865

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 februari 2023
Publicatiedatum
20 februari 2023
Zaaknummer
NL23.702
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 13 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenVerordening nr. (EU) 604/2013
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Italië ondanks medische en verblijfsoverwegingen

Eiser, een Eritrese jongvolwassene, diende op 8 juni 2022 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac-onderzoek bleek dat eiser op 11 februari 2022 illegaal Italië was binnengekomen. Italië werd op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk gesteld en accepteerde dit op 23 september 2022.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië niet geldt vanwege structurele tekortkomingen in de opvang, een gewijzigde politieke situatie en een circulaire brief van de Italiaanse Dublin-Unit. Tevens stelde hij medische problemen te hebben en al geruime tijd in Nederland te verblijven, waardoor artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast zou moeten worden.

De rechtbank oordeelde dat het uitgangspunt blijft dat Nederland mag vertrouwen op Italië als verantwoordelijke lidstaat. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het vertrouwensbeginsel in zijn situatie niet geldt. De circulaire brief betreft slechts een tijdelijk overdrachtsbeletsel en de politieke situatie leidt niet tot een schending van artikel 3 EVRM Pro. De medische problemen waren onvoldoende onderbouwd en de verblijfduur en leeftijd van eiser rechtvaardigen geen uitzondering.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager en is vatbaar voor hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Italië is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.702

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Bij besluit van 4 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Bronsveld, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Solomon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te hebben. Op 8 juni 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] . Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 11 februari 2022 illegaal Italië is ingereisd. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Italië verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening [2] . Italië heeft het verzoek op 23 september 2022 geaccepteerd.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Ten aanzien van Italië kan niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel
worden uitgegaan. Er zijn in Italië structurele tekortkomingen in de opvang. Dit is het gevolg van de gewijzigde politieke situatie in Italië. Dit blijkt ook uit een artikel in Trouw [3] en de circular letter van de Dublin-Unit Italië van 5 december 2022 waarin wordt verzocht de overdrachten naar Italië tijdelijk op te schorten. Verweerder had toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser is namelijk jongvolwassen, heeft medische problemen en is sinds geruime tijd in Nederland.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
5. Uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is recentelijk door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bevestigd. [4] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hier niet in geslaagd.
6. De door eiser aangehaalde circular letter ziet op een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel dat niet met zich brengt dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan. De rechtbank wijst ter vergelijking naar de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2022 [5] betreffende de opschorting van overdrachten door de Roemeense autoriteiten.
7. Ten aanzien van de gewijzigde politieke situatie wordt overwogen dat uit het aangehaalde nieuwsartikel niet blijkt dat Dublinclaimanten in een met artikel 3 EVRM Pro [6] strijdige situatie terecht zullen komen.
8. In de gestelde medische problemen heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. De medische problemen zijn namelijk niet onderbouwd. De leeftijd van eiser en het gegeven dat hij al zeven maanden in Nederland verblijft, leiden niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen bepalen dat deze omstandigheden niet voldoende bijzonder zijn en niet maken dat overdracht getuigt van onevenredige hardheid.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening nr. (EU) 604/2013.
3.Trouw, 4 november 2022, “Nieuwe regering, oud beleid: Italië weert opnieuw schepen van hulporganisaties met migranten”.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.