ECLI:NL:RBDHA:2023:18317

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2023
Publicatiedatum
28 november 2023
Zaaknummer
NL23.36169
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond op onrechtmatige voortduring bewaring vreemdeling na niet-bevestiging nationaliteit

Eiser werd op 22 september 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring werd door de staatssecretaris voortgezet, maar op 21 november 2023 opgeheven. Eiser stelde beroep in tegen de voortzetting van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat de bewaring tot 6 oktober 2023 rechtmatig was. De beoordeling richt zich nu op de periode tussen 6 oktober en 21 november 2023. Hoewel de staatssecretaris meerdere pogingen deed om de uitzetting naar Marokko te realiseren, waaronder het rappelleren van een laissez-passer-aanvraag en het voeren van vertrekgesprekken, was er vanaf 16 november 2023 geen zicht meer op uitzetting omdat de Marokkaanse autoriteiten de nationaliteit van eiser niet konden bevestigen.

De rechtbank acht de voortzetting van de bewaring vanaf die datum onrechtmatig, ook al werden nog belgegevens opgevraagd. Er was geen concrete aanleiding voor het opvragen van deze gegevens en het had eerder kunnen gebeuren. De rechtbank kent eiser een schadevergoeding van €600 toe voor twee dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van proceskosten van €1.674.

Uitkomst: De voortzetting van de bewaring vanaf 16 november 2023 was onrechtmatig en eiser krijgt een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.36169

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,

(gemachtigde: mr. G. Bouius).

Procesverloop

De staatssecretaris heeft op 22 september 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De staatssecretaris heeft de maatregel van bewaring op 21 november 2023 opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 oktober 2023 (in de zaak NL23.30454) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of tussen het moment van het sluiten van dat onderzoek op 6 oktober 2023 en de opheffing op 21 november 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is geweest.
3. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring na de vorige toetsing in beroep onrechtmatig heeft voortgeduurd. Volgens eiser bestond er geen zicht op uitzetting en heeft de staatssecretaris onvoldoende voortvarend gehandeld. Eiser heeft vanaf het begin aangegeven niet in het bezit te zijn van documenten en heeft zelf voldoende inspanningen verricht om de uitzetting te versnellen. Zo heeft eiser contact gezocht met familieleden in Marokko en heeft hij heeft getracht om met het IOM in gesprek te gaan. Ook heeft de staatssecretaris zich volgens eiser afhoudend opgesteld door de vertrekhandelingen enkel te richten op Marokko en niet ook op Algerije. Verder heeft de staatssecretaris ten onrechte geen lichter middel toegepast wegens zijn persoonlijke omstandigheden.
4. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring direct na het sluiten van het vorige onderzoek ter zitting had moeten worden opgeheven. Hiertoe acht de rechtbank allereerst van belang dat de staatssecretaris na het sluiten van het onderzoek meerdere vertrekhandelingen heeft verricht. Zo heeft de staatssecretaris tweemaal schriftelijk gerappelleerd op de laissez-passer (lp)-aanvraag, een vertrekgesprek met eiser gehouden en de zaak rechtstreeks onder de aandacht gebracht bij de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend. Dat de staatssecretaris hiernaast niet ook contact heeft gezocht met de Algerijnse autoriteiten doet hier niet aan af nu er geen concrete aanwijzingen zijn dat eiser dient terug te keren Algerije in plaats van Marokko. Verder acht de rechtbank van belang dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 februari 2023 [1] ) en dat uit de verslaglegging van het vertrekgesprek van 1 november 2023 blijkt dat eiser niet actief en volledig meewerkt aan zijn terugkeer naar Marokko, terwijl dit wel van eiser mag worden verwacht. De verklaring van eisers gemachtigde ter zitting over dat eiser in het verleden wel telefonisch contact heeft gehad met zijn vader en moeder en het feit dat eiser heeft getracht in contact te komen met het IOM doen hier niet aan af.
4.1.
Ook ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris op enig moment een lichter middel had moeten toepassen.
4.2.
De rechtbank ziet echter wel aanleiding om de voortduring van de maatregel van bewaring vanaf 16 november 2023 onrechtmatig te achten nu uit het voortgangsrapport blijkt dat de Marokkaanse ambassade op die datum heeft aangegeven dat eisers nationaliteit niet kan worden bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank stond vanaf dat moment vast dat er in eisers geval niet langer zicht op uitzetting naar Marokko bestond. Dat eerst nog belgegevens zijn opgevraagd en de staatssecretaris daar de resultaten van wilde afwachten verandert daar niets aan. De mogelijkheid dat daaruit wellicht zou blijken dat eiser veelvuldig contact heeft gezocht met mensen in een ander land dan Marokko brengt niet met zich mee dat op dat moment nog wel zicht op uitzetting bestond. Zeker nu er – behalve het feit dat de identiteit niet is bevestigd door de Marokkaanse autoriteiten - geen concrete aanleiding voor het opvragen van die gegevens bestond. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat eiser zich al geruime tijd in bewaring bevond en niet valt in te zien waarom de belgegevens - indien die van belang werden geacht voor het antwoord op de vraag of er zicht op uitzetting bestond - niet eerder hadden kunnen worden opgevraagd.
5. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring was van 16 november 2023 tot de opheffing op 21 november 2023 onrechtmatig.
6. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor twee dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Eiser komt een schadevergoeding toe van in totaal € 600,00 (zes dagen in het detentiecentrum à
€ 100,00).
7. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,00 te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.