Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- de dagvaarding van 27 februari 2023, met producties 1-18b;
- de conclusie van antwoord, met producties 1-41;
- het tussenvonnis van 19 juli 2023 waarin een mondelinge behandeling is bevolen;
- de akte overleggen producties 19-21, tevens vermindering van eis van de zijde van CS;
- de brief van 21 september 2023, met productie 22 van de zijde van CS.
2.De feiten
Hebben jullie van de week tijd om even eens goed bij te praten wat betreft de stand van zaken? Ik maak vandaag de 6e termijn over voor de [adres 1] en het einde van mijn financieringsmogelijkheden begint nu wel erg in zicht te komen. (…)”
Hoi [bestuurder 2 Stichting] en [bestuurder 1 Stichting] ,
Zoals besproken bijgaand factuur 21e termijn [adres 1]
(…)
(…) Er is beslag gelegd op mijn panden. Prive. Dus niet de [adres 1] .
(…)
Bij deze een reactie van mijn kant op de mail die jullie mij op 21 september 2022 stuurden. (…)
(…) De voorwaarden die jullie hierin stellen zijn natuurlijk onacceptabel en niet akkoord, dat begrijpen jullie toch zelf ook wel. Tot op heden sta ik nog altijd € 3, 9 miljoen in de min. Jullie komen nu ineens aanvullend met een bedrag, boven de miljoenen die al betaald zijn. Het klopt ook niet dat jullie zijn gaan financieren omdat ik geen ruimte had. Dit is helemaal niet met mij overlegd en had ik ook nooit ok gevonden. De voorschotten die ik betaald heb zijn al veel hoger dan de kosten die in het begin door jullie genoemd zijn.
Al ruim een half jaar is er geen gesprek tussen 2 gelijkwaardige partijen. (…) In december 2021 was ik op bezoek met [naam 2] op de [adres 1] ,(…) [adres 1] was nagenoeg af en er werd mij gevraagd nog 1 maal een ton te storten.. Dan was het af! (ik heb dit in goed vertrouwen gedaan)
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 1.183.000 exclusief BTW. [vennootschap] heeft vervolgens ook gewezen op het e-mailbericht van 1 september 2020, met het stiko-overzicht inclusief bouw van een kelder. In deze e-mail noemt CS een prijs van € 1.169.000 exclusief BTW. Ook heeft [vennootschap] gewezen op een e-mailbericht van 26 januari 2020 waarin [bestuurder vennootschap] naar aanleiding van de ontvangst van de 6e voorschotfactuur aan [bestuurder 2 Stichting] en [bestuurder 1 Stichting] laat weten dat “
het einde van [zijn] financieringsmogelijkheden (…) nu wel erg in zicht [begint] te komen”. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door [vennootschap] had het op de weg van CS gelegen om andere feiten of omstandigheden aan te voeren, zoals over de door CS gestelde afspraak gevoerde correspondentie of andere stukken, waaruit volgt dat – in tegenstelling tot de door [vennootschap] aangevoerde inhoud van de afspraken – partijen hebben afgesproken dat [vennootschap] alle op regiebasis uitgevoerde herontwikkelingskosten van de [adres 1] zou dragen. Nu CS dit heeft nagelaten is de door haar gestelde inhoud van de tussen partijen gemaakte afspraken niet komen vast te staan. Het voorgaande maakt dat de vordering van CS niet kan worden toegewezen op de eerste grondslag.