ECLI:NL:RBDHA:2023:17869
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek kantonrechter in bewindvoerderszaak
Verzoeker heeft de kantonrechter gewraakt na een mondelinge behandeling in een zaak waarin hij verzocht de bewindvoerder van zijn zoon te ontslaan en zichzelf als nieuwe bewindvoerder te benoemen. Het wrakingsverzoek berustte op drie gronden: vermeende partijdigheid door de wijze van begroeting, kritische houding van de kantonrechter tegenover verzoeker maar niet tegenover de bewindvoerder, en onvoldoende horen van de rechthebbende.
De wrakingskamer overwoog dat het gebruikelijk is dat een rechter bij aanvang van de zitting inventariseert welke procesdeelnemers aanwezig zijn en dat het melden van een ambtelijke bekendheid met een partij geen partijdigheid oplevert. De regievoerende taak van de kantonrechter omvat het bepalen van relevante vragen, en het feit dat niet alle vragen van verzoeker werden gesteld, is geen grond voor wraking. Ook is gebleken dat de rechthebbende is gehoord.
Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden die de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid ondersteunen. Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen en wordt het proces in de hoofdzaak voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.