ECLI:NL:RBDHA:2023:17859
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vreemdelingenwet
De zaak betreft het beroep van eiser tegen een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de staatssecretaris op grond van artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd omdat eiser niet voldeed aan zijn rechtsplicht Nederland te verlaten na het verlopen van het uitstel van vertrek en geen vaste woon- of verblijfsplaats noch voldoende middelen van bestaan had.
Eiser voerde aan dat hij niet deugdelijk was gehoord en dat de vrijheidsbeperkende maatregel niet toegepast mag worden tijdens een uitstel van vertrek. Tevens stelde hij dat hij niet voldoende medewerking aan terugkeer had geweigerd en dat er geen rechtsbijstand was bij de controle van het uitstel.
De rechtbank oordeelde dat eiser wel degelijk is gehoord via het verslag van het vertrekgesprek en dat hij zijn persoonlijke omstandigheden naar voren heeft kunnen brengen. Het uitstel van vertrek voor eiser was verlopen op het moment van oplegging van de maatregel, en er was geen nieuw uitstel aangevraagd. Ook was niet gebleken dat eiser medewerking aan terugkeer verleende. De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig en op goede gronden was opgelegd en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel wordt ongegrond verklaard.