ECLI:NL:RBDHA:2023:17799
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en risico indirect refoulement
Eiser, van Pakistaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De staatssecretaris nam de aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser betoogde dat overdracht naar Oostenrijk indirect refoulement zou opleveren vanwege een fundamenteel verschil in beschermingsbeleid ten aanzien van Ahmadi’s uit Pakistan, die in Nederland als risicogroep zijn aangemerkt, maar niet in Oostenrijk.
De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van het toetsingskader van de Raad van State en stelde vast dat eiser onvoldoende concrete en actuele aanknopingspunten heeft geleverd waaruit blijkt dat het beschermingsbeleid in Oostenrijk evident en fundamenteel verschilt van dat in Nederland. De overgelegde Oostenrijkse rechterlijke uitspraken tonen aan dat ook daar een individuele beoordeling plaatsvindt en dat er geen algemeen beleid is dat Ahmadi’s geen bescherming biedt.
Voorts kon eiser niet aannemelijk maken dat Oostenrijk hem persoonlijk geen bescherming zal bieden, mede omdat het Dublinverzoek door Oostenrijk is geaccepteerd en er mogelijk nog een asielprocedure loopt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak is geanonimiseerd gepubliceerd en er is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.