ECLI:NL:RBDHA:2023:17680

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 oktober 2023
Publicatiedatum
17 november 2023
Zaaknummer
23_6117
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorschot op aanvullende schadevergoeding toeslagenaffaire wegens onvoldoende spoedeisend belang

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoekster een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van haar aanvraag voor aanvullende schadevergoeding in het kader van de toeslagenaffaire. Zij vorderde een voorschot van €50.000,- vanwege ernstige hartproblemen en stress die zij aan de affaire toeschrijft, met het oog op een versnelde behandeling van haar beroep.

De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening slechts kan worden toegekend indien sprake is van onverwijlde spoed. Het verband tussen het gestelde spoedeisend belang en het gevraagde voorschot was onvoldoende onderbouwd. Verzoekster had de mogelijkheid gekregen om nadere stukken te overleggen, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het spoedeisend belang niet vaststond en wees het verzoek af. Tevens werd het griffierecht niet teruggegeven en werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in het bodemgeding.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een voorschot op aanvullende schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6117

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2023 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. R.G.A.M. van den Heuvel),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing om aanvullende schadevergoeding. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
1.2.
Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 1 maart 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 juni 2023 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar-of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen, en daarbij speelt de spoedeisendheid een belangrijke rol. De voorzieningenrechter treft dan ook alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. [1]
3 Verzoekster stelt een bijzonder spoedeisend belang te hebben bij een versnelde behandeling van haar beroep door de rechtbank, en verzoekt om een voorschot op de aanvullende schadevergoeding van € 50.000,- toe te kennen. Reden hiervoor is dat zij stelt ernstige hartproblemen te hebben als gevolg van de toeslagenaffaire. Verzoekster vreest dat zij daarom en bijkomstige stress het beroep niet zal kunnen meemaken.
4. Allereerst oordeelt de voorzieningenrechter dat een voorlopige voorzieningenprocedure niet is bedoeld om versneld een uitspraak in het bodemgeding te ontlokken. Daarnaast is het verband tussen het gestelde spoedeisend belang en de door verzoekster gevraagde en tevens zeer verstrekkende voorziening in de vorm van een voorschot, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Bij brief van 20 september 2023 is verzoekster in de gelegenheid gesteld om met stukken het door haar gestelde spoedeisend belang nader te onderbouwen. Een reactie hierop is uitgebleven. Hoewel gevolgen van de toeslagenaffaire ingrijpend kunnen zijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening onvoldoende vast is komen te staan.

Conclusie en gevolgen

5. Omdat een spoedeisend belang ontbreekt, is het verzoek kennelijk ongegrond en wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Verzoekster krijgt het griffierecht dan ook niet terug.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
13 oktober 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, derde lid, van de Awb.