Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:17105

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 oktober 2023
Publicatiedatum
10 november 2023
Zaaknummer
C/09/652615 / JE RK 23-1717
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265c BWArt. 1:265j BWArt. 798 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in pleegzorg

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2006, die deels in een pleeggezin verblijft vanwege de psychische problemen van zijn moeder.

De moeder kampt met depressieve en suïcidale gedachten, waardoor zij onvoldoende in staat is de opvoeding en verzorging van het kind volledig op zich te nemen. Het kind vertoont een kwetsbare ontwikkeling en is beïnvloedbaar, met risico's op betrokkenheid bij criminele activiteiten. De huidige situatie, waarbij het kind doordeweeks in het pleeggezin verblijft en in het weekend bij de moeder is, verloopt redelijk goed.

De kinderrechter stelt vast dat de vader is geschorst in het ouderlijk gezag en niet langer als belanghebbende wordt aangemerkt. Op grond van de wettelijke criteria uit het Burgerlijk Wetboek wordt de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar toegekend, omdat dit in het belang van het kind is. De kinderrechter benadrukt dat op termijn bekeken moet worden of hulpverlening op vrijwillige basis mogelijk is, zeker in aanloop naar de meerderjarigheid van het kind.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep is binnen drie maanden mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 11 oktober 2024.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/652615 / JE RK 23-1717
Datum uitspraak: 10 oktober 2023
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[naam01], geboren op [geboortedatum01] 2006 in [plaats01] ,
hierna te noemen [naam01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam02] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats01] ,
[naam03] ,
hierna te noemen de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verzoekschrift met bijlagen is binnengekomen bij de rechtbank op 21 augustus 2023.
1.2.
De kinderrechter heeft ook kennisgenomen van het advies, zoals bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, van de Raad voor de Kinderbescherming van 6 september 2023.
1.3.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2023. Daarbij was B. Aydin namens de gecertificeerde instelling aanwezig.
1.4.
De moeder en de pleegmoeder waren niet aanwezig. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.5.
De kinderrechter heeft [naam01] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft daarop niet gereageerd.

2.De feiten

2.1.
De vader van [naam01] is
[naam04].
2.2.
De vader en moeder zijn met elkaar gehuwd.
2.3.
Bij beschikking van 10 februari 2021 van deze rechtbank is de vader geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag. De moeder oefent daarom alleen het ouderlijk gezag over [naam01] uit.
2.4.
[naam01] woont in het gezin van de pleegmoeder.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 oktober 2022 de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [naam01] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 11 oktober 2023.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam01] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. Het lukt de moeder op dit moment niet om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [naam01] volledig op zich te nemen. Dit komt door haar psychische kwetsbaarheid, in combinatie met de grote opvoedvraag van [naam01] . De moeder kampt met psychische problemen, in de vorm van depressieve en suïcidale gedachten, die nog op de voorgrond staan. Daarnaast is ook bij [naam01] sprake van een kwetsbare ontwikkeling. Hij vindt het moeilijk om zijn emoties te uiten en is beïnvloedbaar, waardoor er risico’s en soms ook signalen zijn dat hij betrokken raakt bij criminele activiteiten. Hij heeft een opvoeder nodig die toezicht houdt en hem kan begrenzen. De moeder kan dit onvoldoende. De situatie zoals die nu is, waarbij [naam01] doordeweeks in het pleeggezin verblijft en in het weekend naar de moeder gaat, verloopt redelijk goed. Het is daarbij wel belangrijk dat het pleeggezin wordt ondersteund bij de pedagogische benadering van [naam01] , de afspraken met de moeder en financiële zaken.
De komende maanden zal worden ingezet op het versterken van de opvoeding in het pleeggezin. De hulpverlening van Massive Care is daarbij betrokken en zal worden uitgebreid. Op termijn zal er naartoe worden gewerkt dat [naam01] begeleid kan wonen.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter stelt vast dat de vader aanvankelijk in deze procedure is aangemerkt als belanghebbende, maar dat nadien is geconstateerd dat hij is geschorst in de uitoefening van zijn gezag over [naam01] , dat hij niet betrokken is en dat het onbekend is waar hij verblijft. Om die redenen is de kinderrechter van oordeel dat de zaak niet rechtstreeks betrekking heeft op de rechten en verplichtingen van de vader en dat hij daarom niet langer dient te worden aangemerkt als belanghebbende, in de zin van artikel 798 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.2.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam01] noodzakelijk en in zijn belang (artikel 1:265c, tweede lid, BW).
4.3.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De bedreigingen in de ontwikkeling van [naam01] zijn nog niet weggenomen en gelegen in de actuele psychische instabiliteit en kwetsbaarheid van de moeder en de ontwikkeling van [naam01] zelf. Dit zorgt ervoor dat [naam01] niet volledig bij de moeder kan wonen en inmiddels ruim vier jaar deels in het gezin van de pleegmoeder verblijft. De zorgverdeling tussen de moeder en de pleegmoeder lijkt, met de nodige ondersteuning ter versterking, tegemoet te komen aan wat [naam01] nodig heeft. Daardoor kan hij de moeder ook nog regelmatig zien en is er goed onderling contact, ook tussen de moeder en de pleegmoeder. De kinderrechter heeft vernomen dat de moeder daarin kan berusten, maar het is begrijpelijk dat zij het liever anders zou zien. Daarnaast wordt [naam01] volgend jaar achttien en is het belangrijk om te kijken wat er nodig is in aanloop naar zijn meerderjarigheid. De kinderrechter ziet daarin een taak voor de gecertificeerde instelling weggelegd, maar hecht eraan te benadrukken dat moet worden gekeken of het kader van de ondertoezichtstelling daarvoor op termijn nog noodzakelijk is of dat de hulp op vrijwillige basis kan worden verleend. De kinderrechter ziet echter geen aanleiding om de maatregelen nu in duur te bekorten. Daarbij weegt mee dat de betrokkenen en [naam01] willen dat de situatie blijft zoals het nu is. Verlenging van de maatregelen voor de duur van een jaar zal daarom bijdragen aan duidelijkheid hierover en rust brengen.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [naam01] tot 11 oktober 2024;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam01] in een voorziening voor pleegzorg tot 11 oktober 2024;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2023 door mr. M.P. Meeuwisse, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier,
en schriftelijk vastgesteld op 26 oktober 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.