De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2006, die deels in een pleeggezin verblijft vanwege de psychische problemen van zijn moeder.
De moeder kampt met depressieve en suïcidale gedachten, waardoor zij onvoldoende in staat is de opvoeding en verzorging van het kind volledig op zich te nemen. Het kind vertoont een kwetsbare ontwikkeling en is beïnvloedbaar, met risico's op betrokkenheid bij criminele activiteiten. De huidige situatie, waarbij het kind doordeweeks in het pleeggezin verblijft en in het weekend bij de moeder is, verloopt redelijk goed.
De kinderrechter stelt vast dat de vader is geschorst in het ouderlijk gezag en niet langer als belanghebbende wordt aangemerkt. Op grond van de wettelijke criteria uit het Burgerlijk Wetboek wordt de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar toegekend, omdat dit in het belang van het kind is. De kinderrechter benadrukt dat op termijn bekeken moet worden of hulpverlening op vrijwillige basis mogelijk is, zeker in aanloop naar de meerderjarigheid van het kind.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep is binnen drie maanden mogelijk.