ECLI:NL:RBDHA:2023:17028

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2023
Publicatiedatum
9 november 2023
Zaaknummer
AWB 23/2119
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 29 lid 2 sub c Vreemdelingenwet 2000Artikel 2 aanhef en sub f Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86/EGArtikel 8 EVRMArtikel 3.6b aanhef en sub c Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag mvv voor ouder alleenstaande minderjarige op grond van Gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 8 EVRM

Eiseres, moeder van referente, heeft een aanvraag gedaan voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis asiel. De aanvraag werd afgewezen omdat referente niet kwalificeert als een alleenstaande minderjarige volgens de Gezinsherenigingsrichtlijn, aangezien haar vader al in Nederland verbleef toen zij aankwam.

Eiseres betoogde dat referente wel als alleenstaande minderjarige moet worden aangemerkt omdat zij de gezinsband met haar vader heeft verbroken en een zelfstandige verblijfsvergunning asiel heeft. De rechtbank oordeelde dat de feitelijke situatie van het verblijf bij de vader en het tijdstip van aankomst doorslaggevend zijn en dat het ontbreken van gezinscontact na aankomst niet tot een andere kwalificatie leidt.

Daarnaast stelde eiseres dat ten onrechte geen toetsing aan artikel 8 EVRM Pro heeft plaatsgevonden. De rechtbank volgde de staatssecretaris dat de doortoetsingsbevoegdheid niet van toepassing is omdat geen uitzettingssituatie aan de orde is. Wel constateerde de rechtbank een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe om dit te passeren omdat eiseres niet in haar belangen is geschaad.

Het beroep werd ongegrond verklaard en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 23/2119

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken)
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2022 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een mvv [1] voor het doel ‘nareis asiel’ afgewezen.
Bij besluit van 1 februari 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 28 september 2023 in Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder is [naam referente] , referente, verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te hebben. Zij stelt de moeder van referente te zijn. Referente heeft namens eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis asiel.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag ongegrond verklaard. Verweerder heeft overwogen dat referente niet onder de definitie valt van een alleenstaande minderjarige zoals opgenomen in de Gezinsherenigingsrichtlijn. [2] De biologische vader van referente verbleef namelijk al in Nederland op het moment dat referente in Nederland aankwam. Verweerder heeft verder overwogen dat er geen aanleiding bestaat om een toetsing aan artikel 8 van Pro het EVRM [3] te verrichten. Hiervoor dient eiseres een reguliere aanvraag in te dienen.
3. Op wat eiseres daartegen aanvoert, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Alleenstaande minderjarige
4. Eiseres voert aan dat referente wel degelijk een alleenstaande minderjarige in de zin van de Gezinsherenigingsrichtlijn is. Referente heeft de gezinsband met haar vader verbroken. Nadat referente als minderjarige een zelfstandige verblijfsvergunning asiel heeft gekregen, heeft zij de mvv-aanvraag ingediend voor eiseres. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan de nareiscriteria.
5. Op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw [4] kan aan een ouder van een alleenstaande minderjarige in de zin van artikel 2, aanhef en onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend.
In artikel 2, aanhef en onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn is een alleenstaande minderjarige gedefinieerd als een onderdaan van een derde land of een staatloze jonger dan 18 jaar die zonder begeleiding van een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van een lidstaat aankomt, zolang hij niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke volwassene staat, of een minderjarige die zonder begeleiding wordt achtergelaten nadat hij op het grondgebied van de lidstaat is aangekomen.
6. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat referente geen alleenstaande minderjarige is in de zin van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat referente Nederland is binnengereisd in het kader van nareis bij haar vader en onder zijn hoede is genomen. Zij heeft immers sindsdien meerdere jaren bij haar vader verbleven. [5] De omstandigheid dat referente stelt wegens onenigheid inmiddels niet meer bij haar vader te wonen, maakt niet dat zij nu alsnog moet worden aangemerkt als een alleenstaande minderjarige. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van Pro het EVRM
7 Eiseres voert verder aan dat, voor zover niet zou zijn voldaan aan de criteria voor nareis, ten onrechte niet is getoetst aan artikel 8 van Pro het EVRM. Eiseres en referente hebben nauwe contacten en tussen hen is sprake van gezinsleven.
8. Eerst ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb, [6] waaruit de zogenoemde doortoetsingsbevoegdheid volgt, niet van toepassing is in het geval van eiseres. Dit artikel ziet namelijk op situaties waarin uitzetting aan de orde is en dat hier niet het geval.
9. De rechtbank volgt verweerder in zijn toelichting ter zitting dat artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb niet van toepassing is in het geval van eiseres en dat daarom geen bevoegdheid bestond om te toetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM. Nu verweerder zich voor het eerst ter zitting op dit standpunt heeft gesteld en aan het bestreden besluit een andere en ontoereikende [7] motivering ten grondslag heeft gelegd, bevat het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb [8] , omdat eiseres niet in haar belangen is geschaad.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond.
11. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, bedrag per punt € 837 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.674
(
duizendzeshonderdvierenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, op 31 oktober 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Richtlijn 2003/86/EG.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
4.Vreemdelingenwet 2000.
5.Zie voor de beoordeling van ‘minderjarig’ en ‘alleenstaand’ naar het tijdstip van aankomst in de lidstaat ook het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 april 2018 in de zaak A en S tegen Nederland, ECLI:EU:C:2018:248, punt 38.
6.Vreemdelingenbesluit 2000.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:187.
8.Algemene wet bestuursrecht.