ECLI:NL:RBDHA:2023:16565
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft dit verzoek niet in behandeling genomen, met de motivering dat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en daarnaast een voorlopige voorziening gevraagd om de rechtsgevolgen van het besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op het beroep.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening buiten zitting behandeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, is een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.