ECLI:NL:RBDHA:2023:16543
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Estland
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen op grond van de Dublinverordening, omdat Estland verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank heeft het beroep behandeld terwijl eiser en zijn gemachtigde niet verschenen waren.
De rechtbank overweegt dat op grond van de Dublinverordening en artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 Nederland de aanvraag niet in behandeling hoeft te nemen als een andere lidstaat verantwoordelijk is. Nederland heeft Estland verzocht de asielaanvraag over te nemen, wat Estland heeft aanvaard.
Eiser stelde dat het Estse beleid niet voldoende bescherming biedt, met name voor Russische dienstplichtigen en politieke activisten, en dat hij daardoor risico loopt op indirect refoulement. De rechtbank hanteert het toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het arrest Jawo, waarbij eiser moet aantonen dat het beschermingsbeleid evident en fundamenteel verschilt en dat de rechterlijke bescherming in Estland niet effectief is.
De rechtbank oordeelt dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Er is geen bewijs van een fundamenteel verschil in beschermingsbeleid, het Estse beleid is niet overlegd, en het lopende hoger beroep in Estland biedt nog rechterlijke bescherming. Ook het besluitmoratorium in Nederland is verlengd, maar het is niet duidelijk of eiser daaronder valt.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en blijft het besluit van de staatssecretaris in stand. Eiser kan worden overgedragen aan Estland en krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Estland blijft mogelijk.