ECLI:NL:RBDHA:2023:16532
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in belang van verzorging en opvoeding
De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2007, die sinds februari 2023 uit huis is geplaatst na een melding van betasting door haar stiefvader en een gezinssituatie met huiselijk geweld.
De moeder en vader zijn belast met het ouderlijk gezag, maar de ouders leven niet samen en de vader is zonder bekende woonplaats in Nederland. De minderjarige verblijft in een woonvoorziening van een jeugdhulpaanbieder. De ondertoezichtstelling is reeds verlengd tot 4 april 2024.
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek met de ernstige verstoring van de relatie tussen moeder en kind, het niet doorbreken van patronen van geweld, en het belang van stabiliteit voor de minderjarige. De moeder betwist dit en wijst het probleem bij de dochter zelf, met plannen om haar terug te laten keren naar het geboorteland.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van verzorging en opvoeding, gelet op het ernstige conflict, het beschermingsbelang tegen geweld en het risico op weglopen bij terugplaatsing. De machtiging wordt verlengd tot 4 april 2024 en uitvoerbaar verklaard bij voorraad.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 4 april 2024.