De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een voorziening voor netwerkpleegzorg. Eerder waren de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing reeds voor korte periodes verlengd, waarbij het streven was om toe te werken naar co-ouderschap tussen de vader en pleegouders.
De gecertificeerde instelling motiveerde het verzoek met het uitblijven van concrete stappen van de vader in het starten van de benodigde hulpverlening, waaronder behandeling bij Impegno en opvoedondersteuning bij Middin. Ondanks een ondertekende behandelovereenkomst was er onvoldoende contact en medewerking van de vader, waardoor het loyaliteitsconflict bij de minderjarige aanhoudt.
De vader gaf aan wel te willen meewerken aan de hulpverlening en co-ouderschap, maar erkende dat dit momenteel nog niet mogelijk is. De pleegmoeder meldde dat het goed gaat met de minderjarige, maar dat de communicatie met de vader moeizaam blijft.
De rechtbank oordeelde dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, mede omdat de hulpverlening nog moet starten en er tijd nodig is om de situatie te verbeteren. Tevens benadrukte de rechtbank het belang van een inhoudelijk advies van de Raad voor de Kinderbescherming bij eventuele toekomstige verlengingsverzoeken.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot 14 mei 2024 en uitvoerbaar verklaard bij voorraad.