Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], verzoekster
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
Rechtbank Den Haag
Verzoekster diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis, welke door de staatssecretaris werd afgewezen bij besluit van 9 november 2021. Tegen dit primaire besluit maakte verzoekster bezwaar op 1 december 2021. Vervolgens stelde verzoekster beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar.
Bij besluit van 26 juli 2022 verklaarde de staatssecretaris het bezwaar gegrond en verleende alsnog de mvv aan verzoekster. Tevens werd een bestuurlijke dwangsom vastgesteld. Verzoekster trok daarop het beroep in en verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris door het alsnog nemen van een besluit tegemoet was gekomen aan het beroep en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten. De kosten werden vastgesteld op €418,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht en de lichte wegingsfactor vanwege de aard van het beroep.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van €418,50 aan proceskosten aan verzoekster.