Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de rechter die de hoofdzaak behandelde, waarin werd gevraagd om inspanningen voor de terugkeer van verzoeker 1 uit detentie in Spanje naar Nederland. Het verzoek betrof vermeende partijdigheid van de rechter op grond van drie wrakingsgronden: het niet garanderen van openbaarheid van de zitting, vermeende voorbarige uitspraken over spoedeisend belang en ontvankelijkheid, en het gedrag van de rechter na de wraking.
De wrakingskamer oordeelde dat de handelingen van de rechter binnen haar regievoerende taak vielen en geen aanwijzingen gaven voor partijdigheid. De vermeende uitspraken konden niet worden vastgesteld en vormden geen inhoudelijk oordeel over de hoofdzaak. Ook het gedrag na de wraking leverde geen zwaarwegende aanwijzing op, mede omdat relevante omstandigheden pas laat werden ingebracht.
De wrakingskamer concludeerde dat geen sprake was van vooringenomenheid of de objectief gerechtvaardigde schijn daarvan en wees het wrakingsverzoek af. Het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.