ECLI:NL:RBDHA:2023:15388

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 oktober 2023
Publicatiedatum
12 oktober 2023
Zaaknummer
NL23.19514
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens gebrek aan geloofwaardigheid

Eiser, een Iraakse nationaliteitdragende man, heeft op 8 maart 2022 een opvolgende asielaanvraag ingediend met het argument dat hij bedreigd wordt vanwege een donatie aan een vriend en een foto op Facebook die tot bedreigingen leidde. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b van de Vreemdelingenwet 2000.

De rechtbank stelt vast dat eiser eerder asielaanvragen heeft ingediend die eveneens zijn afgewezen, waarbij zijn eerdere verklaringen als ongeloofwaardig werden beoordeeld. In de huidige aanvraag heeft eiser documenten overgelegd die afkomstig zouden zijn van een rechtbank in Bagdad, maar het Bureau Documenten van verweerder heeft verklaard dat deze documenten waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt.

Verweerder acht de identiteit en nationaliteit van eiser geloofwaardig, maar niet de geuite bedreigingen en motieven voor asiel. De rechtbank volgt verweerder hierin en wijst het beroep af, mede omdat eiser onvoldoende onderbouwt waarom de beoordeling van verweerder onjuist zou zijn. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.19514

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 28 september 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraakse nationaliteit.
2. Op 12 januari 2009 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij door mensen die een aanslag wilden plegen werd gedwongen om mee te werken toen hij werkzaam was als receptionist van het Palestine Meridien Hotel in Bagdad. Bij besluit van 30 september 2009 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen. Dit staat in rechte vast.
3. Op 30 oktober 2013 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend. Hierbij heeft hij zich opnieuw beroepen op het eerder ongeloofwaardig geachte relaas. Daarnaast heeft hij aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat zijn familie in Irak sinds zijn vertrek wordt lastiggevallen en dat hij slachtoffer vreest te worden van eerwraak vanwege de ex-echtgenoot van zijn vrouw. Bij besluit van 17 oktober 2016 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen. Dit staat in rechte vast.
4. In deze zaak gaat het om eisers asielaanvraag van 8 maart 2022. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij een vriend genaamd Ali geld heeft gegeven om demonstranten te helpen en dat hij daarom te vrezen heeft voor de Iraakse autoriteiten. Ook heeft eiser aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij een foto van zijn nicht op Facebook heeft gezet met een grappig bedoelde tekst die in verkeerde aarde is gevallen en dat hij daardoor met de dood is bedreigd door de echtgenoot, vader en broer van deze nicht. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft hij twee documenten overgelegd, afkomstig van de rechtbank in Bagdad. Het Bureau Documenten van verweerder heeft in de verklaring van onderzoek van 21 maart 2022 meegedeeld dat beide documenten waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven.
5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (een opvolgende asielaanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard). Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter niet geloofwaardig geacht dat eiser wordt gezocht vanwege de donatie en evenmin dat hij wordt bedreigd.
6. Eiser voert hiertegen aan dat zijn asielmotieven wel geloofwaardig zijn en dat de overgelegde documenten deze motieven ondersteunen. Volgens eiser is het bestreden besluit dan ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
7. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten is een deskundigenbericht waarvan verweerder in beginsel mag uitgaan. Eiser onderbouwt in beroep niet waarom dat in dit geval anders zou moeten zijn. Ook onderbouwt eiser niet waarom de door verweerder gemaakte beoordeling van zijn verklaringen geen stand zou kunnen houden.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.