ECLI:NL:RBDHA:2023:15087
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening op grond van vertrouwensbeginsel bij mvv-aanvraag
Verzoekster, een Syrische vrouw, heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar meerderjarige dochter en zoon in Nederland te verblijven. Haar aanvraag werd afgewezen en zij maakte bezwaar. Omdat verweerder niet tijdig op het bezwaar besliste, verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster een geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel, omdat verweerder in een brief heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek, wat een concrete toezegging inhoudt. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat de belangen van verzoekster, gezien haar ernstige medische en humanitaire situatie en de langdurige onzekerheid, zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij handhaving van het restrictieve toelatingsbeleid.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst het bestreden besluit en draagt verweerder op verzoekster te behandelen alsof zij in het bezit is van een mvv. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Verzoekster wordt behandeld alsof zij in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf en het bestreden besluit wordt geschorst.