ECLI:NL:RBDHA:2023:14959

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 augustus 2023
Publicatiedatum
5 oktober 2023
Zaaknummer
NL23.21814
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 4.21 VreemdelingenbesluitDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling uit Gaza ongegrond verklaard

Eiser, afkomstig uit Gaza, werd op 11 juli 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen deze maatregel werd beroep ingesteld, dat tevens een verzoek om schadevergoeding inhield. De bewaring werd op 26 juli 2023 opgeheven, waarna de rechtbank op 7 augustus 2023 de zaak behandelde.

De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest. Eiser stelde dat het binnentreden met zeven opsporingsambtenaren disproportioneel was en dat er geen toestemming was gevraagd. De rechtbank oordeelde dat de inzet van zeven ambtenaren gerechtvaardigd was vanwege het veiligheidsrisico en dat toestemming voor binnentreden niet vereist was.

Verder betwistte eiser het risico op het ontduiken van toezicht, maar de rechtbank vond de gronden voor bewaring feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Ook de vermeende onvoldoende voortvarendheid bij de overdracht naar Finland werd verworpen; de overdracht vond binnen een redelijke termijn plaats.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.21814
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. V. Senczuk), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 26 juli 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is afkomstig uit Gaza en is geboren op [geboortedatum] 1993.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De staandehouding
3. Eiser voert aan dat er zeven opsporingsambtenaren betrokken waren bij het binnentreden van zijn verblijfslocatie. Er is volgens hem geen aanleiding geweest voor de veronderstelling dat eiser geen medewerking aan zijn staandehouding zou verlenen. De wijze waarop is binnengetreden is dan ook disproportioneel, nog daargelaten dat aan eiser geen toestemming voor het binnentreden is gevraagd.
4. De rechtbank oordeelt als volgt. In het proces-verbaal van binnentreden van
11 juli 2023 is vermeld dat de machtiging is gebruikt om te voorkomen dat kamergenoten of andere bewoners van de bewuste locatie zich met de verrichtingen aangaande eiser zouden gaan bemoeien. Ook was het bekend dat eiser in het verleden suïcidale pogingen heeft gedaan. In het proces-verbaal van staandehouding van 11 juli 2023 is voorts vermeld dat eiser eerder iemand had neergestoken, dat hij agressief kan zijn en dat hij snel betrokken raakt bij conflicten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat er een redelijke verwachting was op ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen. Om die reden heeft het binnentreden en de staandehouding met zeven opsporingsambtenaren plaatsgevonden. De rechtbank acht dit in de gegeven omstandigheden niet disproportioneel. Verder is voor het binnentreden in de verblijflocatie van eiser niet vereist dat hiertoe eerst om toestemming aan eiser wordt gevraagd. De beroepsgrond slaagt niet.
De gronden van de maatregel van bewaring
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser heeft de gronden van de maatregel van bewaring niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond onder 3a feitelijk juist en voldoende gemotiveerd is. Eiser is Nederland ingereisd zonder geldig reisdocument. Ook de lichte gronden onder 4a, 4c en 4d zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser heeft zich niet aan de verplichting gehouden om te beschikken over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb. Verder stond eiser niet ingeschreven in de Basis Registratie Personen (BRP) en had hij geen geld, anders dan het leefgeld dat hij ontving van het COA.
7. Eiser betwist dat er een risico was dat hij zich aan het toezicht op vreemdelingen zou onttrekken. In de maatregel van bewaring staat dat eiser ‘ambivalent’ was in zijn verklaringen over terugkeer naar Finland. Volgens eiser was dit geen aanleiding om te veronderstellen dat hij niet zou meewerken aan de overdracht. Eiser heeft namelijk
verklaard dat hij zelf zou zijn vertrokken als hij de kans had gekregen. Dit is niet gelukt omdat hij maar 170,00 euro had, maar het COA heeft ook niet tegen hem gezegd dat het tijd was om te vertrekken.
8. De beroepsgrond slaagt niet. Uit de gronden die terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verder heeft verweerder terecht verwezen naar de reisroute en de verklaringen van eiser. Hieruit blijkt dat eiser niet schroomt om zonder toestemming te reizen binnen Europa en om op eigen gelegenheid door te reizen zonder dat er een besluit is genomen op verblijfsaanvragen die hij heeft gedaan. Ook hieruit volgt het risico dat eiser zich aan de overdracht naar Finland zal onttrekken.
De voortvarendheid
9. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn overdracht naar Finland. De geplande vlucht van 25 juli 2023 is voor eiser geannuleerd, door omstandigheden die niet aan hem te wijten waren. Als gevolg daarvan is eiser één dag later, op 26 juli 2023, overgedragen.
10. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser is op 11 juli 2023 in bewaring gesteld. Op 14 juli 2023 heeft verweerder een overdracht aangevraagd. De overdracht diende plaats te vinden met de bijstand van medische escortes. Een dergelijke vorm van overdracht vergt altijd enige organisatie en afstemming met de autoriteiten van het ontvangende land. De overdracht naar Finland heeft vervolgens op 26 juli 2023 plaatsgevonden. De rechtbank acht dit voldoende voortvarend. Dat de overdracht van eiser uiteindelijk één dag later dan aanvankelijk gepland heeft plaatsgevonden, leidt er niet toe dat verweerder over de hele periode van de inbewaringstelling van vijftien dagen onvoldoende voortvarend aan die overdracht heeft gewerkt.
Conclusie
11. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
31 augustus 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.