ECLI:NL:RBDHA:2023:14923
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument duurzaam verblijf burgers van de Unie
Eiseres, van Indiase nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument duurzaam verblijf burgers van de Unie, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het feit dat eiseres en haar Nederlandse echtgenoot, de referent, onvoldoende middelen van bestaan hebben omdat zij bijstand ontvingen op grond van de Participatiewet, welke niet als inkomen wordt aangemerkt.
Eiseres voerde aan dat haar verblijfsrecht voortvloeit uit artikel 7 van Pro de Verblijfsrichtlijn en niet uit artikel 21 van Pro het VWEU, en dat de AIO-aanvulling niet tegen haar kan worden gebruikt. De rechtbank oordeelde echter dat de voorwaarden van de Verblijfsrichtlijn naar analogie van toepassing zijn en dat eiseres niet voldeed aan het middelenvereiste.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat eiseres geen uitzonderingssituatie aannemelijk had gemaakt, zoals blijvende arbeidsongeschiktheid van de referent door een arbeidsongeval of beroepsziekte. De rechtbank vond dat de Staatssecretaris voldoende had gemotiveerd waarom het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagde.
Ten slotte verwierp de rechtbank het betoog dat het gebruik van gegevens uit de Basisregistratie Personen onzorgvuldig was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsdocument duurzaam verblijf burgers van de Unie is ongegrond verklaard.