De rechtbank Den Haag heeft op verzoek van de moeder van de betrokkene de vermissing van haar zoon vastgesteld. Het verzoekschrift werd ingediend in oktober 2020 en na het voldoen aan de wettelijke formaliteiten, waaronder het plaatsen van oproepen in de Staatscourant en een landelijk dagblad, is vastgesteld dat de betrokkene niet is verschenen om van zijn in leven zijn te doen blijken.
De rechtbank heeft de betrokkene bij twee zittingen opgeroepen, maar niemand is verschenen om zijn aanwezigheid te bevestigen. De moeder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de dag van vermissing is gelegen op de dag volgend op het laatste bericht waaruit blijkt dat de betrokkene in leven was, te weten in 2016.
De rechtbank heeft daarom de vermissing van de betrokkene vastgesteld met ingang van die datum. Tevens zijn de gemaakte kosten ten laste van het vermogen van de vermiste gebracht. Andere verzoeken zijn afgewezen. De beschikking is uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 28 september 2023.