ECLI:NL:RBDHA:2023:14605

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 september 2023
Publicatiedatum
28 september 2023
Zaaknummer
NL23.20732
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep asiel Nigeria wegens onleesbare beroepsgronden en afwijzing Bahaddar-toets

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 10 mei 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De staatssecretaris wees deze aanvraag op 17 juli 2023 af wegens het ontbreken van een geloofwaardige grond voor asiel, met name omdat de vermeende vergiftiging niet aannemelijk was en de overige omstandigheden sociaaleconomisch van aard waren.

De rechtbank nodigde partijen uit voor een zitting op 12 september 2023, maar eiser en zijn gemachtigde verschenen niet en verzochten om afdoening op de stukken. De beroepsgronden die namens eiser waren ingediend waren echter onleesbaar vanwege de slechte kwaliteit van de scan. Ondanks herhaalde verzoeken om herindiening van leesbare gronden, werden deze niet tijdig ingediend.

De rechtbank stelde vast dat het ontbreken van leesbare beroepsgronden in beginsel leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. De rechtbank voerde een Bahaddar-toets uit om te beoordelen of het beroep ondanks het formele gebrek toch ontvankelijk moest worden verklaard vanwege een evident risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer. De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was, omdat de vermeende vergiftiging niet aannemelijk was en de overige omstandigheden sociaaleconomisch waren, wat geen grond voor asiel vormt.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij de proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter D.C. Laagland en griffier M.C. Bakker op 15 september 2023.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van leesbare beroepsgronden en het ontbreken van Bahaddar-omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20732

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.M. Pot),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. de Jong).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1984. Hij heeft op 10 mei 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 17 juli 2023 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft eiser en verweerder uitgenodigd voor een zitting op 12 september 2023. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank laten weten dat zij en eiser niet naar zitting zullen komen en heeft de rechtbank verzocht de zaak af te doen op de stukken. Verweerder heeft bevestigt dat de zaak ook volgens hem zonder zitting kan worden afgedaan. De rechtbank heeft daarom het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij het vermoeden heeft dat hij in 1997 of 1998 vergiftigd is door een man genaamd [naam]. Hierna heeft eiser maagproblemen gekregen en last van zijn stoelgang. Zijn gezondheidsproblemen duren voort tot de dag van vandaag. Eiser heeft geen geld voor gezondheidszorg. Ook is eiser in Nigeria op zichzelf aangewezen, zijn ouders zijn overleden en zijn broer kijkt niet naar hem om.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • vergiftiging.
Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig gevonden. De vergiftiging heeft verweerder niet geloofwaardig gevonden. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij is vergiftigd, dat [naam] hierachter zit en dat er een verband is tussen de gestelde vergiftiging en eisers gezondheidsproblemen. Voor het overige heeft eiser enkel sociaaleconomische motieven aangevoerd die niet raken aan het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van Pro het EVRM. Verweerder heeft eisers asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Namens eiser zijn beroepsgronden ingediend, maar deze waren door de kwaliteit van de scan niet leesbaar voor de rechtbank. De rechtbank heeft meerdere malen contact gehad met eisers gemachtigde om erop te wijzen dat de gronden niet leesbaar waren en haar te verzoeken de gronden opnieuw leesbaar in te dienen. Nu dit uitbleef heeft de rechtbank op 7 september 2023 eisers gemachtigde meegedeeld dat zij uiterlijk aan het einde van die dag de beroepsgronden leesbaar in moest dienen en dat de rechtbank anders aanleiding kon zien om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Ondanks de toezegging van de gemachtigde van eiser dat zij uiterlijk op 8 september 2023 leesbare gronden zou indienen had de rechtbank op de dag waarop de zitting zou plaatsvinden nog altijd geen leesbare beroepsgronden ontvangen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Iedereen die beroep instelt bij de rechtbank dient hierbij in het beroepschrift de gronden van het beroep te vermelden. [2] Als hieraan niet is voldaan, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. De indiener van het beroep moet dan wel de gelegenheid gehad hebben om het verzuim te herstellen. [3]
5.1.
Gelet op dat wat overwogen is onder 4 concludeert de rechtbank dat door of namens eiser geen leesbare beroepsgronden zijn ingediend, waardoor de rechtbank hier geen oordeel over kan geven. Nu door of namens eiser geen beroepsgronden zijn ingediend, dient de rechtbank het beroep in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren. Maar het kan zijn dat deze nationale procedureregel buiten toepassing gelaten moet worden in het geval sprake is van Bahaddar-omstandigheden. [4] Dit is het geval wanneer dat wat de asielzoeker heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat bij uitzetting artikel 3 van Pro het EVRM [5] geschonden wordt. De rechtbank zal daarom toetsen of het standpunt van verweerder dat eisers terugkeer niet in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM evident onjuist is.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eisers gestelde vergiftiging niet aannemelijk is gemaakt. Daarnaast heeft verweerder kunnen concluderen dat eisers gebrek aan financiële middelen en het ontbreken van familiaire steun in Nigeria, sociaaleconomische omstandigheden zijn die in het algemeen niet tot een asielvergunning kunnen leiden. Voor een asielvergunning op grond van artikel 3 van Pro het EVRM is namelijk vereist dat iemand bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Ernstige schade in de zin van de Kwalificatierichtlijn moet altijd voortvloeien uit gedragingen van derden, waardoor sociaaleconomische omstandigheden hier in het algemeen niet onder kunnen vallen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het standpunt dat eiser bij terugkeer evident een reëel risico zou lopen op schending van artikel 3 van Pro het EVRM.
6. Nu er door of namens eiser geen beroepsgronden zijn ingediend en er geen sprake is van Bahaddar-omstandigheden, zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dat staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d van de Awb.
3.Dat staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.