Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[verzoeker] ,
Inleiding tegen de verzoeker is de verdenking gerezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag en zware mishandeling. De aangifte van poging doodslag is op 13 april 2022 geseponeerd door middel van een beleidssepot (‘anders dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert’). De aangifte van zware mishandeling is eveneens op 13 april 2022 geseponeerd, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Het slachtoffer van de vermeende zware mishandeling heeft vervolgens een artikel 12 Sv Pro-procedure gestart bij het gerechtshof Den Haag. De zaak is op 21 juni 2023 inhoudelijk behandeld. Het hof heeft het beklag op 24 juli 2023 afgewezen.
De procedure in raadkamer De rechtbank heeft dit verzoek op 12 september 2023 in openbare raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van (een deel van) het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.
Het verzoek Het ingediende verzoek is tweeledig. Het eerste verzoek strekt tot vergoeding van de kosten voor zijn raadsman ter hoogte van € 12.342,00 en ziet op de rechtsbijstand ten aanzien van de geseponeerde feiten. Het tweede (aanvullende) verzoek strekt tot vergoeding van de kosten voor zijn raadsman gemaakt in de artikel 12 Sv Pro-procedure, ter hoogte van € 4.204,75.
Het standpunt van de officier van justitieDe officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Er zijn geen gronden van billijkheid aanwezig, omdat dat de zaak deels is geseponeerd middels een beleidssepot. Het hof heeft dit bevestigd door te overwegen dat er voldoende aanknopingspunten zijn om een vervolgingsbevel te geven, maar dat dit gelet op de context van de zaak en de gevolgen hiervan geen meerwaarde heeft. Het is dus aan verzoeker zelf te wijten dat hij onderwerp is geworden van een strafrechtelijk onderzoek.
).