ECLI:NL:RBDHA:2023:14335
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na uitzetting naar Polen
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting naar Polen te voorkomen totdat op zijn bezwaar tegen het beëindigen van zijn verblijfsrecht is beslist. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft zich aanvankelijk niet verzet tegen de toewijzing van de voorziening. Later meldde verweerder dat verzoeker op 9 januari 2023 aan Polen is uitgeleverd om daar een straf uit te zitten.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang. Verzoeker kan met de procedure niet meer bereiken wat hij beoogde, aangezien hij al is uitgezet en de uitzetting niet meer kan worden teruggedraaid. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten, omdat er geen sprake is van een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A. Skerka en griffier E. Kersten op 23 mei 2023. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na uitzetting naar Polen.