ECLI:NL:RBDHA:2023:14274

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 september 2023
Publicatiedatum
22 september 2023
Zaaknummer
AWB 23/6613
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens te late indiening beroepsgronden

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin zijn asielaanvraag van 5 april 2023 niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank beoordeelt dit beroep zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is.

De reden voor niet-ontvankelijkheid is dat eiser de gronden van het beroep niet tijdig heeft ingediend. Hoewel de rechtbank eiser via een brief op 20 juni 2023 een termijn stelde tot 27 juni 2023 om de beroepsgronden alsnog in te dienen, werden deze pas op 29 juni 2023 ontvangen. Eiser gaf geen reden voor deze vertraging en er was geen sprake van omstandigheden die het buiten toepassing laten van de nationale procedureregel rechtvaardigen, zoals bedoeld in het Bahaddar-arrest.

De staatssecretaris had in het besluit overwogen dat eiser bij terugkeer naar het land van herkomst, Iran, weliswaar risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro, maar dat hij niet zal worden uitgezet. Hierdoor is het Bahaddar-arrest niet van toepassing en blijft het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank behandelt het beroep daarom niet inhoudelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de beroepsgronden zonder verontschuldiging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/6613

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2023 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: L.F. Portier),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van 14 juni 2023, waarin de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser van 5 april 2023 niet-ontvankelijk heeft verklaard. [1]
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat eiser de gronden van het beroep te laat heeft ingediend. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. [3] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. De indiener van het beroepschrift moet dan wel eerst de gelegenheid hebben gehad om de beroepsgronden alsnog binnen een door de rechtbank gestelde termijn in te dienen. [4]
Heeft eiser de gronden tijdig vermeld?
4. Eiser heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift, ontvangen door de rechtbank op 19 juni 2023. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser in haar brief van 20 juni 2023 verzocht om uiterlijk op 27 juni 2023 dit verzuim te herstellen. Deze gronden zijn echter na deze datum ingediend, namelijk op 29 juni 2023. De beroepsgronden zijn daarmee niet tijdig vermeld. Eiser heeft geen reden gegeven voor het niet tijdig vermelden van de beroepsgronden. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Bahaddar-toets
5. Uit vaste rechtspraak volgt dat de bestuursrechter een nationale procedureregel buiten toepassing moet laten, wanneer er omstandigheden zijn als bedoeld in het arrest Bahaddar tegen Nederland [5] , om schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij uitzetting te voorkomen. [6]
5.1.
In het geval van eiser is het Bahaddar-arrest niet van toepassing. De staatssecretaris heeft in het besluit van 14 juni 2023 overwogen dat ten aanzien van eiser is aangenomen dat hij bij terugkeer naar het land van herkomst heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Eiser zal dus niet worden uitgezet naar Iran. Er bestaat dus geen risico op een dergelijke schending. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om voorbij te gaan aan de niet-ontvankelijkheid van het beroep.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk behandelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Steenbeek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2023
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
3.Dit volgt uit artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:6, van de Awb.
5.EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494, r.o. 45.
6.ABRvS 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.