ECLI:NL:RBDHA:2023:14214
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling correcte vaststelling dagloon voor WIA-uitkering door UWV
Eiseres, voormalig administratief medewerkster, diende een aanvraag in voor een WIA-uitkering na beëindiging van haar dienstverband en ziekteperiode. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe, gebaseerd op een dagloon berekend over een referteperiode van 1 november 2019 tot en met 31 oktober 2020, waarbij het inkomen uit arbeid en WW-uitkering werd meegenomen.
Eiseres betwistte dat het UWV het inkomen over oktober 2020 buiten beschouwing liet bij de dagloonberekening, wat volgens haar onzorgvuldig was. Het UWV verdedigde haar berekening met verwijzing naar de Wet WIA en het Dagloonbesluit, waarin is bepaald dat loon wordt toegerekend aan het aangiftetijdvak waarin het is opgegeven en dat WW-uitkeringen achteraf worden betaald.
De rechtbank oordeelde dat het UWV de dagloonberekening correct heeft uitgevoerd volgens artikel 13 van Pro de Wet WIA en artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit. De betaling van de WW-uitkering over oktober 2020 vond pas in november plaats en viel daardoor buiten de referteperiode. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard, en zij kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de vaststelling van het dagloon en de WIA-uitkering door het UWV wordt ongegrond verklaard.