ECLI:NL:RBDHA:2023:13310
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familierelatie en binding met Marokko
Eiser, een Marokkaanse staatsburger, diende op 12 mei 2022 een aanvraag in voor een visum kort verblijf om een familielid in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op 24 mei 2022 wegens onvoldoende bewijs van het verblijfsdoel en onvoldoende aannemelijkheid dat eiser tijdig zou terugkeren naar Marokko.
Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd kennelijk ongegrond verklaard. In het daaropvolgende beroep bij de rechtbank werd vastgesteld dat eiser pas in de beroepsprocedure aanvullende documenten overlegde die de familierelatie mogelijk konden onderbouwen. Deze documenten waren echter niet meegenomen in de beoordeling van de minister.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het visum heeft geweigerd omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij een sterke sociale en economische binding met Marokko heeft. De zorgtaak voor zijn moeder en de bedrijfsactiviteiten werden pas tijdens de zitting toegelicht en waren niet onderbouwd met documenten. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.