Eiser, met de Poolse nationaliteit, werd op 20 augustus 2010 ongewenst verklaard en verzocht in april 2022 om opheffing van deze verklaring, welke werd toegekend. Hij verblijft sinds december 2021 in Nederland en werkte tijdelijk in loondienst. Tijdens zijn verblijf werd hij meerdere malen gedetineerd en kreeg hij een ISD-maatregel opgelegd.
De staatssecretaris stelde vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op grond van het Unierecht, omdat hij langer dan drie maanden in Nederland verbleef zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Eiser voerde aan dat hij tijdens detentie arbeid verrichtte en daardoor niet ten laste viel van het sociale bijstandsstelsel, maar de rechtbank oordeelde dat de werkzaamheden niet kwalificeerden als reële en daadwerkelijke arbeid volgens het Unierecht.
Verder stelde eiser dat zijn verblijfsrecht niet beëindigd mocht worden vanwege zijn detentie of strafrechtelijk verleden. De rechtbank stelde echter vast dat het hier niet gaat om beëindiging van verblijfsrecht, maar om de vaststelling dat er geen rechtmatig verblijf is, waarbij het strafrechtelijk verleden een legitiem element is in de belangenafweging.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf en verklaarde het beroep ongegrond. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.