Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:12951

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 augustus 2023
Publicatiedatum
30 augustus 2023
Zaaknummer
NL23.20577
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.11 Vb 2000Art. 8.12 Vb 2000Art. 6 Verblijfsrichtlijn 2004/38/EGArt. 7 Verblijfsrichtlijn 2004/38/EGArt. 24 Verblijfsrichtlijn 2004/38/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen rechtmatig verblijf op grond van Unierecht wegens niet voldoen aan voorwaarden voor langdurig verblijf

Eiser, met de Poolse nationaliteit, werd op 20 augustus 2010 ongewenst verklaard en verzocht in april 2022 om opheffing van deze verklaring, welke werd toegekend. Hij verblijft sinds december 2021 in Nederland en werkte tijdelijk in loondienst. Tijdens zijn verblijf werd hij meerdere malen gedetineerd en kreeg hij een ISD-maatregel opgelegd.

De staatssecretaris stelde vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op grond van het Unierecht, omdat hij langer dan drie maanden in Nederland verbleef zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Eiser voerde aan dat hij tijdens detentie arbeid verrichtte en daardoor niet ten laste viel van het sociale bijstandsstelsel, maar de rechtbank oordeelde dat de werkzaamheden niet kwalificeerden als reële en daadwerkelijke arbeid volgens het Unierecht.

Verder stelde eiser dat zijn verblijfsrecht niet beëindigd mocht worden vanwege zijn detentie of strafrechtelijk verleden. De rechtbank stelde echter vast dat het hier niet gaat om beëindiging van verblijfsrecht, maar om de vaststelling dat er geen rechtmatig verblijf is, waarbij het strafrechtelijk verleden een legitiem element is in de belangenafweging.

De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf en verklaarde het beroep ongegrond. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20577

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van het Unierecht bij besluit van 17 juni 2022.
1.1.
Met het bestreden besluit van 19 juni 2023 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij dat besluit gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2023, tezamen met NL23.20578, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mevrouw Osuch-Stanczuk als tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de vaststelling dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
5.1
Eiser heeft de Poolse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] .
5.2
Op 20 augustus 2010 is eiser ongewenst verklaard en heeft hij Nederland verlaten. Op 14 april 2022 heeft eiser verzocht om opheffing van de ongewenstverklaring. Dit verzoek is per die datum toegekend.
5.3
Eiser is in december 2021 naar Nederland gekomen. Van 6 december 2021 tot 27 februari 2022 heeft eiser gewerkt in loondienst. Uit een controle bleek dat er nog een detentie openstond en is eiser voor 28 dagen gedetineerd. Eiser is tussentijds vrij gekomen, maar is momenteel ook weer gedetineerd. Aan hem is een ISD-maatregel opgelegd bij vonnis van 17 februari 2023.
5.4
Op 14 juni 2023 is eiser opnieuw ongewenst verklaard. Eiser is tegen deze beslissing ook opgekomen. De ongewenstverklaring maakt geen onderdeel uit van het onderhavige beroep.
Rechtmatig verblijf niet vervallen
6. Eiser stelt dat hij ten tijde van het besluit wel degelijk rechtmatig verblijf had op grond van richtlijn 2004/38/EG (hierna: de Verblijfsrichtlijn). Dit recht is niet komen te vervallen, omdat hij geen arbeid meer verrichte. Eiser beroept zich op artikel 6 van Pro de Verblijfsrichtlijn en op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het HvJ) van 25 februari 2016 [1] en stelt dat hij een tijdelijk verblijfsrecht had, dat alleen maar vervalt in het geval hij een beroep doet op het stelsel van sociale bijstand. Eiser heeft geen beroep gedaan op het stelsel van sociale bijstand.
6.1
De rechtbank overweegt dat de Verblijfsrichtlijn is geïmplementeerd in hoofdstuk 8.2.2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eiser heeft niet gesteld dat deze implementatie onjuist of onvolledig is geweest. De rechtbank gaat voor de beoordeling van het beroep van eiser dan ook uit van het wettelijk kader als gegeven in het Vb 2000.
6.2
De rechtbank overweegt voorts dat artikel 8.11 van het Vb 2000 correspondeert met artikel 6 van Pro de Verblijfsrichtlijn. Op grond van deze artikelen heeft een Unieburger gedurende een termijn van drie maanden rechtmatig verblijf in een andere lidstaat, met als enige voorwaarde dat hij beschikt over een geldig identiteitsbewijs. Artikel 8.12 van het Vb 2000 correspondeert met artikel 7 van Pro de Verblijfsrichtlijn. Uit dit artikel volgt dat, wanneer een Unieburger langer dan drie maanden in een andere lidstaat verblijft, hij aan bepaalde voorwaarden moet voldoen wil er nog sprake zijn van rechtmatig verblijf.
6.3
Eiser was ten tijde van het nemen van het besluit – tot vaststelling dat er geen rechtmatig verblijf was op grond van het Unierecht – op 17 juni 2022 reeds langer dan drie maanden in Nederland, namelijk sinds december 2021. Eiser kon zich dan ook niet langer op artikel 8.11 van het Vb 2000 (of artikel 6 van Pro de Verblijfsrichtlijn) beroepen, maar viel onder de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vb 2000 (of artikel 7 van Pro de Verblijfsrichtlijn). Noch uit artikel 8.12 van het Vb 2000, noch uit artikel 7 van Pro de Verblijfsrichtlijn volgt dat eiser rechtmatig verblijf had, zolang hij geen beroep deed op het sociale bijstandsstelsel in Nederland. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser uitgaat van een onjuiste lezing van de Verblijfsrichtlijn. Eisers beroep kan daarom niet slagen.
6.4
Het beroep op het arrest van het HvJ van 25 februari 2016 kan eiser niet baten, nu daar een geheel andere (rechts)vraag voorlag over onder andere de werking van artikel 24 van Pro de Verblijfsrichtlijn. In dat arrest heeft het HvJ geoordeeld dat het een lidstaat toegestaan is, gedurende de eerste drie maanden van rechtmatig verblijf (op grond van artikel 6 van Pro de Verblijfsrichtlijn), het recht op bijstand te beperken.
Werknemer tijdens detentie
7. Eiser stelt voorts dat hij in detentie arbeid verrichte. Met het verrichten van arbeid verwierf hij een inkomen en kwam hij niet ten laste van het sociale bijstandsstelsel. Eiser voldeed daarom aan de voorwaarden van artikel 7 van Pro de Verblijfsrichtlijn. Het standpunt van de staatssecretaris dat dit geen arbeid is, nu er geen sprake is van een gezagsrelatie en er geen daadwerkelijke en reële arbeid wordt verricht, bestrijdt eiser uitdrukkelijk. Deze criteria volgen niet uit de Verblijfsrichtlijn. Bovendien was er wel sprake van een gezagsrelatie en verrichtte eiser daadwerkelijk en reëel werk. Het kan eiser in redelijkheid niet worden verweten dat hij geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij arbeid heeft verricht. Eiser heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat hij arbeid verrichtte. Op dat moment had het op de weg gelegen van de staatssecretaris om stukken ter onderbouwing daarvan aan eiser te vragen.
7.1
Ter zitting heeft de staatssecretaris aangegeven eisers verklaringen over het verrichten van arbeid tijdens detentie niet (langer) ter discussie te stellen. De rechtbank stelt dan ook vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser tijdens detentie werkzaamheden heeft verricht. Het geschil beperkt zich tot de vraag of eiser deze arbeid verricht als werknemer.
7.2
De rechtbank overweegt dat een Unieburger, langer dan drie maanden na inreis, (onder meer) rechtmatig verblijf in Nederland heeft, indien hij in Nederland werknemer of zelfstandige is. [2] De rechtbank is van oordeel dat eiser niet kwalificeert als werknemer als bedoeld in artikel 7 van Pro de Verblijfsrichtlijn, dan wel artikel 8.12 van het Vb 2000 en dat de staatssecretaris derhalve terecht heeft vastgesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. De rechtbank komt als volgt tot dit oordeel.
7.3
Het begrip ‘werknemer’ is niet gedefinieerd in de Verblijfsrichtlijn. Wel is het begrip ‘werknemer’ in de zin van het Unierecht in meerdere arresten van het HvJ uitgewerkt. In de arresten Levin [3] , Raulin [4] en Genc [5] heeft het HvJ overwogen dat er sprake is van een arbeidsverhouding wanneer iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag werkzaamheden verricht en hiervoor een beloning ontvangt. Er moet sprake zijn van reële en daadwerkelijke arbeid, die niet alleen marginaal en bijkomstig is. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er sprake moet zijn van een gezagsrelatie en daadwerkelijk en reëel werk.
7.4
Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij twee à drie uur per dag werkt en met zijn werkzaamheden ongeveer € 30,00 per week verdient. Dit betekent dat eiser voor zijn werkzaamheden een vergoeding van ongeveer € 2,00 à € 3,00 per uur verdient, ervan uitgaande dat eiser vijf dagen per week werkt. Eiser is ouder dan 21 jaar. Het wettelijk minimumuurloon voor een 21-jarige is minimaal € 11,51. Gelet hierop kunnen de werkzaamheden die eiser verricht in detentie niet gelijkgesteld worden met reële en daadwerkelijke arbeid als bedoeld in de voorgaande overweging. Dat betekent dat er om deze reden al geen sprake is van werknemerschap in de zin van de Verblijfsrichtlijn en artikel 8.12 van het Vb 2000. De vraag in hoeverre er sprake is van een gezagsverhouding kan dan ook onbeantwoord blijven.
Reden voor geen rechtmatig verblijf
8. Eiser stelt dat het in strijd met het Unierecht is om zijn verblijfsrecht te beëindigen omdat hij in detentie zit. Als gevolg daarvan wordt hij anders behandeld dan Nederlanders die in detentie zitten. Eiser stelt tevens dat zijn verblijfsrecht niet mag worden beëindigd vanwege enkele strafrechtelijke incidenten.
8.1
De rechtbank is van oordeel dat eiser uitgaat van een onjuiste lezing van het besluit van de staatssecretaris. Vooropgesteld moet worden dat er geen sprake is van beëindiging van het EU-verblijfsrecht, maar van de vaststelling dat er geen rechtmatig verblijf is. De reden dat hier geen sprake van is, is dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf, als genoemd in artikel 8.12, eerste lid, van het Vb 2000 en niet onder een van de uitzonderingen genoemd in het tweede lid van dat artikel valt. Het is dus niet zo dat eisers verblijfrecht is beëindigd omdat hij in detentie zit of door zijn strafrechtelijke verleden. Alleen al daarom kan eisers beroep op gelijke behandeling niet slagen.
8.2
Eisers strafrechtelijk verleden is wel een element geweest in de belangenafweging. De staatssecretaris komt tot de conclusie dat het besluit tot vaststelling dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft niet onevenredig is en neemt ten nadele van eiser in de afweging mee dat eiser overlast veroorzaakt, misdrijven pleegt en aan eiser een ISD-maatregel is opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het strafrechtelijk verleden van eiser een mee te wegen element is in de belangenafweging en dat dit ook in het nadeel van eiser werkt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.C 299/14.
2.De voorwaarde uit artikel 8.12, eerste lid, sub a, van het Vb 2000.
3.Arrest van het HvJ van 23 maart 1982, ECLI:EU:C:1982:105, r.o. 17-18.
4.Arrest van het HvJ van 26 februari 1992, ECLI:EU:C:1992:87, r.o. 10.
5.Arrest van het HvJ van 4 februari 2010, ECLI:EU:C:2010:57, r.o. 19.