Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[verzoekster] , verzoekster, V-nummer: [V-nummer] ,
[minderjarige] ,V-nummer: [V-nummer] , hierna gezamenlijk te noemen: verzoekster,
Rechtbank Den Haag
Verzoekster, een Nigeriaanse vrouw gehuwd met een Soedanese referent met verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro. Deze aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen en er werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Na een ongegrond verklaard bezwaar tegen deze beslissing, stelde verzoekster beroep in bij de rechtbank en verzocht zij om een voorlopige voorziening om haar uitzetting te voorkomen totdat op het beroep was beslist. De voorzieningenrechter behandelde dit verzoek op zitting op 20 april 2023.
De voorzieningenrechter oordeelde dat geen aanleiding bestond om de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen, mede omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak deed in het hoofdberoep. Het verzoek werd daarom afgewezen, zonder terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.
De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.M. van Luijk-Salomons op 19 juli 2023. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening die uitzetting zou verbieden wordt afgewezen.