ECLI:NL:RBDHA:2023:1289

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2023
Publicatiedatum
8 februari 2023
Zaaknummer
NL22.25208
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest EUArt. 17 Verordening (EU) Nr. 604/2013
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-inhoudelijke behandeling asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Italië

De eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk is voor de behandeling.

De eiser stelde dat Italië tekortschiet in de opvang en leefomstandigheden van asielzoekers, wat een schending zou zijn van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro EU, en dat terugkeer daardoor onrechtmatig zou zijn. De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij wordt uitgegaan van de naleving van internationale verplichtingen door Italië. De eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt, mede omdat hij zijn stellingen niet met documenten heeft onderbouwd en de mogelijke versoberingen in Italië toekomstig en onzeker zijn.

De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die de staatssecretaris zouden verplichten de aanvraag toch in behandeling te nemen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter K.M. de Jager op 2 februari 2023.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.25208
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL22.25209, op 2 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
2. Eiser stelt in zijn beroepsgronden dat in Italië aanzienlijke tekortkomingen zijn in de opvang en leefomstandigheden van asielzoekers. Door de toestroom van asielzoekers en de nieuwe rechtse regering zal de opvang naar verwachting nog verder versoberen. Eiser zal daarom bij terugkeer in een situatie terechtkomen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [1] en artikel 4 van Pro het Handvest [2] . Hieruit blijkt dat Italië zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen.
3. Uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van uit mag gaan dat Italië zijn internationale verplichtingen nakomt. Dit is recent door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nog bevestigd. [3] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hier niet in geslaagd. Zo heeft eiser zijn stellingen niet onderbouwd met documenten. Daarnaast betreffen de mogelijke wijzigingen in het Italiaanse asielbeleid onzekere toekomstige gebeurtenissen, waarmee verweerder geen rekening hoeft te houden.
5. Verder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder aanleiding heeft hoeven zien de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken. [4]
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2023 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Op grond van artikel 17 van Pro de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).