ECLI:NL:RBDHA:2023:12824
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familiebezoek en binding met Tanzania
Eiser, een Tanzaniaanse nationaliteit, heeft een visum kort verblijf aangevraagd voor familiebezoek in Nederland. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond en er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Tanzania.
Eiser stelde dat de hoorplicht in bezwaar was geschonden en dat hij een familieband heeft met de referent in Nederland. Ook voerde hij aan dat hij voldoende economische en sociale binding met Tanzania heeft, onder meer door een schadevergoeding, eigendom en verhuur van een woning, en een gezin. De rechtbank oordeelde echter dat eiser deze stellingen onvoldoende met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd.
De rechtbank stelde vast dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat het doel van het verblijf niet aannemelijk is gemaakt, omdat de familierelatie niet met documenten is bevestigd. Ook was de economische binding onvoldoende onderbouwd door ontbrekende bewijsstukken over inkomsten en eigendom. De sociale binding werd niet aannemelijk gemaakt door het ontbreken van bewijs van een gezinssituatie.
Gelet hierop was het besluit van verweerder om het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren en de visumaanvraag af te wijzen terecht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf is ongegrond verklaard.