ECLI:NL:RBDHA:2023:12108
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen ophouding op grond van artikel 50 lid 2 Vreemdelingenwet 2000
Eiseres werd op 31 juli 2023 om 06:40 uur opgehouden door de politie op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De ophouding eindigde dezelfde dag om 13:15 uur. Eiseres stelde beroep in tegen deze ophouding en vorderde tevens een schadevergoeding voor de periode van 30 tot en met 31 juli 2023, stellende dat sprake was van een onrechtmatige vreemdelingrechtelijke staandehouding.
De rechtbank behandelde het beroep op 11 augustus 2023, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet verschenen. Uit het proces-verbaal van de ophouding bleek dat de politie tijdens reguliere surveillance op een locatie met veel drugs- en seksuele handelingen een voertuig met beslagen ramen staande hield. De politie vroeg om legitimatiebewijs omdat de inzittende geen identiteit kon tonen en weinig verklaarde over haar identiteit.
De rechtbank oordeelde dat het vragen om legitimatiebewijs plaatsvond in het kader van algemene politietaken en niet als verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding. Tevens is volgens vaste rechtspraak het niet aan de vreemdelingenrechter om te oordelen over het gebruik van andere bevoegdheden dan die uit de Vreemdelingenwet. Omdat geen beroepsgronden tegen de ophouding en de duur daarvan waren ingediend, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding is ongegrond verklaard en de vordering tot schadevergoeding afgewezen.