ECLI:NL:RBDHA:2023:12085
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag BPM niet te hoog vastgesteld; beroep ongegrond verklaard
Eiser deed op 22 januari 2021 aangifte BPM voor een BMW X1, waarbij een waardevermindering van € 26.993 wegens schade werd opgevoerd, resulterend in een inkoopwaarde van € 2.000. Een hertaxatie door DRZ op 1 februari 2021 vond echter geen schade aan de auto. De Belastingdienst legde een naheffingsaanslag BPM van € 3.088 op zonder rekening te houden met waardevermindering.
De rechtbank stelt dat de belasting moet worden berekend op basis van de waarde van de auto ten tijde van de aangifte en dat eiser moet aantonen dat er sprake was van meer dan normale gebruiksschade. Eiser slaagt hier niet in, omdat het taxatierapport gebaseerd is op een opname van 30 december 2020 en geen bewijs levert dat de auto bij de aangifte beschadigd was. Ook het schadeverleden is onvoldoende onderbouwd.
De naheffingsaanslag is daarom niet te hoog vastgesteld en het beroep wordt ongegrond verklaard. Hoewel de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase met ruim twee maanden is overschreden, wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade af, mede omdat eiser afstand heeft gedaan van recht op schadevergoeding.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter E. Kouwenhoven en griffier T. Blauw op 19 juli 2023. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.