ECLI:NL:RBDHA:2023:11419
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum verblijfsvergunning als familie- of gezinslid
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning als familie- of gezinslid bij zijn vader, de referent. De aanvraag was aanvankelijk afgewezen omdat de referent geen rechtmatig verblijf had, maar later is het bezwaar van eiser gegrond verklaard en is hem een verblijfsvergunning toegekend met ingang van 24 oktober 2022.
Eiser stelde dat de ingangsdatum onjuist was en wilde deze terug laten gaan tot zijn geboortedatum 4 januari 2018. Daarnaast voerde hij aan dat ten onrechte geen proceskostenvergoeding in bezwaar was toegekend. De rechtbank oordeelt dat eiser procesbelang heeft bij het beroep omdat een eerdere ingangsdatum hem een sterker verblijfsrecht zou geven.
De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 bepalend is het moment waarop wordt aangetoond dat aan de voorwaarden voor verblijfsrecht wordt voldaan. Omdat de referent pas op 24 oktober 2022 een verblijfsvergunning verkreeg, kon eiser niet eerder in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid.
Ook is geen grond voor vergoeding van proceskosten in bezwaar, omdat het bezwaar niet gegrond is verklaard wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het griffierecht wordt kwijtgescholden wegens betalingsonmacht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning blijft 24 oktober 2022.