ECLI:NL:RBDHA:2023:11029
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning om als zelfstandige arbeid te verrichten, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 1 juni 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening. Nadat op het bezwaar bij besluit van 25 juli 2022 was beslist, verzocht verzoeker alsnog om een voorlopige voorziening bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter stelt vast dat op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een verzoek om voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien er een bezwaar of beroep aanhangig is. Nu het bezwaar reeds is afgedaan, is geen bezwaar meer aanhangig en is het verzoek om voorlopige voorziening niet ontvankelijk.
De rechtbank verwijst naar een uitspraak in een gerelateerde zaak (AWB 22/5285) waarin het beroep is behandeld, en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af als kennelijk ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een aanhangig bezwaar of beroep.