ECLI:NL:RBDHA:2023:11010
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na bezwaar verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 14 april 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. Nadat verweerder op het bezwaar had beslist bij besluit van 23 juni 2022, was er geen bezwaar meer aanhangig.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Gezien het feit dat het bezwaar reeds was afgedaan en het beroep in een andere zaak met nummer AWB 22/4648 door de rechtbank was behandeld, werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter W. Anker en griffier R. de Mul en is definitief, daartegen is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar reeds is beslist en het beroep is behandeld.