ECLI:NL:RBDHA:2023:10969
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afgewezen verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 29 maart 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris heeft het bezwaar op 15 juni 2022 inhoudelijk behandeld en beslist, waardoor er geen bezwaar meer aanhangig was op het moment van het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld op basis van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en geconstateerd dat een voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien er nog een bezwaar of beroep aanhangig is.
Daarnaast is in een andere procedure (zaaknummer AWB 22/3931) reeds uitspraak gedaan op het beroep, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond is afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar reeds is behandeld en het beroep is beslecht.