ECLI:NL:RBDHA:2023:10953
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 24 juni 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. Na beslissing op het bezwaar door verweerder op 18 augustus 2022, is het bezwaar niet langer aanhangig.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb. Volgens artikel 8:81, eerste lid, Awb is een voorlopige voorziening alleen mogelijk indien een bezwaar of beroep aanhangig is. Nu het bezwaar is afgehandeld en het beroep in een andere zaak (AWB 22/5621) is behandeld, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar reeds is beslist en het beroep is behandeld.