De kinderrechter in Den Haag behandelde het verzoek om een oordeel te geven over de noodzaak van ondertoezichtstelling van een minderjarige, op verzoek van de burgemeester en na een aanvullend onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.
De Raad concludeerde dat een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk is omdat de zorgen niet ernstig genoeg zijn en vrijwillige hulpverlening volstaat. De gecertificeerde instelling betwistte deze conclusie en stelde dat de zorgen over de moeder en de ontwikkelingsbedreigingen van de minderjarige niet zijn weggenomen.
De moeder voerde formeel verweer tegen het besluit op grond van beginselen van behoorlijk bestuur en stelde dat de situatie verbeterd is met steun van familie en professionals. De kinderrechter ging voorbij aan het formele verweer en beoordeelde inhoudelijk of er op dit moment sprake is van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige.
Op basis van de meest recente informatie concludeerde de kinderrechter dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een ernstige bedreiging en dat de gronden voor ondertoezichtstelling niet zijn vervuld. De beschikking werd op 26 juni 2023 mondeling uitgesproken en op 17 juli 2023 schriftelijk vastgesteld.