ECLI:NL:RBDHA:2023:10146

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2023
Publicatiedatum
12 juli 2023
Zaaknummer
NL23.18794
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwVreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortzetting maatregel van bewaring vreemdeling met Chinese nationaliteit

Eiser, een vreemdeling met de Chinese nationaliteit, is sinds 4 februari 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 20 april 2023. De rechtbank beoordeelt nu of de voortzetting van de bewaring daarna nog rechtmatig is.

Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting naar China, omdat de Chinese autoriteiten niet reageren op rappelleringen en informatie-uitwisseling. De rechtbank stelt vast dat verweerder meerdere rappelleringen heeft gedaan en vertrekgesprekken heeft gevoerd, wat duidt op voldoende voortvarendheid in de uitzettingsprocedure.

De rechtbank overweegt dat verweerder afhankelijk is van de Chinese autoriteiten voor het verkrijgen van een laissez-passer en dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn terugkeer. De vertraging is daarom voor rekening van eiser. Gezien deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om de bewaring op te heffen en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.18794

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 4 februari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank van deze voortduring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 5 juli 2023 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Chinese nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat deze maatregel van bewaring al eerder is getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 21 april 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:2691, volgt dat de maatregel van bewaring rechtmatig was tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (20 april 2023). Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting naar China. Uit het dossier blijkt dat er tientallen keren is gerappelleerd bij de Chinese autoriteiten zonder resultaat. Ook is er eerder (paspoort) informatie uitgewisseld, waarna de Chinese autoriteiten niet hebben gereageerd.
5. Uit de voortgangsrapportage leidt de rechtbank af dat verweerder op 17 mei 2023 en 8 juni 2023 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Chinese autoriteiten. Daarnaast hebben op 17 mei 2023 en 19 juni 2023 nog vertrekgesprekken plaatsgevonden met eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de te beoordelen periode voldoende voortvarend gewerkt aan het vertrek van eiser.
6. Uit de voortgangsrapportage leidt de rechtbank ook af dat verweerder op 2 december 2020 een LP [2] -aanvraag heeft verzonden aan de Chinese autoriteiten. Sinds de sluiting van het onderzoek van de rechtbank met betrekking tot het eerder beroep is herhaaldelijk gerappelleerd en is op 8 mei 2023 door de DIA een bericht gestuurd naar de Chinese autoriteiten ter herinnering. Daarbij betrekt de rechtbank dat verweerder afhankelijk is van de Chinese autoriteiten om een LP af te geven. Verder is de rechtbank niet gebleken dat eiser zelf enige actie onderneemt om zijn terugkeer te bewerkstelligen. Gelet op het feit dat op eiser de rechtsplicht rust om in het kader van zijn terugkeer zijn volledige en actieve medewerking te verlenen, is de rechtbank van oordeel dat de vertraging in het proces voor rekening en risico van eiser zelf is. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank vooralsnog geen grond voor het oordeel dat in het geval van eiser het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.
7. Tot slot ziet de rechtbank ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het
voortduren van de bewaring onrechtmatig is. [3]
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Laissez-passer.
3.Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in degevoegde zaken C-704/20 en C-39/21.