ECLI:NL:RBDHA:2022:968

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 februari 2022
Publicatiedatum
11 februari 2022
Zaaknummer
NL21.17046
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid van verklaringen over besnijdenis en relatie in Guinee

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 7 februari 2022 uitspraak gedaan in een asielprocedure. Eiseres, een Guinese vrouw, had een opvolgende asielaanvraag ingediend, waarin zij vreesde voor de besnijdenis van haar dochter en voor geweld van haar voormalige partner in Guinee. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat de verklaringen van eiseres tegenstrijdig waren met eerdere verklaringen in een eerdere asielprocedure. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 13 januari 2022, waarbij eiseres werd bijgestaan door haar gemachtigde en een tolk aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt had gesteld dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig was. De rechtbank vond dat de verklaringen van eiseres over de besnijdenis van haar dochter en haar relatie met de man in Guinee niet consistent waren. Eiseres had eerder verklaard gehuwd te zijn, maar in de opvolgende aanvraag stelde zij alleenstaand te zijn. De rechtbank concludeerde dat de aanvraag terecht was afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. De uitspraak werd gedaan door rechter S.E. van de Merbel, in aanwezigheid van griffier W. van Loon, en is openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.17046
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], eiseres, V-nummer: [nummer],

mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen:
[nummer2 1],
V-nummer: [nummer2 2] en
[naam4] Diallo Sow,
V-nummer [nummer3], (gemachtigde: mr. M.S. Yap)
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.17047, op 13 januari 2022 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen E. Spruit. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiseres is van Guinese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]
2. Op 1 juli 2018 heeft eiseres voor het eerst een asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 3 mei 2019 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
Verweerder heeft de gestelde vrees van eiseres voor herbesnijdenis van haar dochter en haar gestelde problemen met haar echtgenoot ongeloofwaardig geacht. Dit besluit staat in rechte vast.1
3. Op 6 juli 2021 heeft eiseres een opvolgende asielaanvraag ingediend (mede namens haar minderjarige kinderen) via een schriftelijke kennisgeving M35-O. Daarbij heeft zij een originele akte van ongehuwdverklaring van 11 augustus 2020 overgelegd en een uittreksel van haar geboorteakte.
4. Eiseres heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij niet kan terugkeren naar Guinee omdat ze vreest voor een besnijdenis van haar dochter. Eiseres stelt na afronding van de eerste asielaanvraag van haar in Guinee wonende oom [naam4] begrepen te hebben dat haar dochter helemaal niet besneden is. Hij heeft die besnijdenis destijds voorkomen. Eiseres verklaart ongehuwd te zijn en in de vorige procedure nooit verklaard te hebben dat zij gehuwd was. Als ongehuwde moeder zal ze haar dochter bij terugkeer niet tegen een besnijdenis kunnen beschermen en zal ze in een kwetsbare positie terecht komen. Eiseres vreest daarnaast om het leven te worden gebracht door de man met wie zij in Guinee samenleefde. Ze vreest hiervoor omdat ze is weggelopen, haar dochter heeft meegenomen en omdat hij militair is.
5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het terugkeerbesluit van 3 mei 2019 is volgens verweerder nog steeds van toepassing. Eiseres is een vertrektermijn onthouden en dient Nederland onmiddellijk te verlaten.
Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • vrees voor besnijdenis van de dochter bij terugkomst in Guinee en
  • vrees voor de man waarmee eiseres in Guinee samenleefde.
Verweerder vindt wat eiseres heeft verklaard omtrent haar identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk. De andere relevante elementen van het asielrelaas vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiseres heeft in het gehoor opvolgende aanvraag met betrekking tot de gevreesde besnijdenis tegenstrijdig verklaard met haar verklaringen in de vorige asielprocedure. Ook heeft ze tegenstrijdig verklaard over het al dan niet gehuwd zijn in Guinee. De overgelegde ongehuwdverklaring is onderzocht door Bureau Documenten. Dit bureau heeft niet kunnen vaststellen of de ongehuwdverklaring inhoudelijk juist is en heeft geen uitspraken kunnen doen over de opmaak en afgifte van dit document. Volgens verweerder komt de in dit document opgenomen informatie niet overeen met dat wat door eiseres bij haar eerste aanvraag is verklaard. Wat eiseres bij de opvolgende aanvraag heeft verklaard omtrent de vrees voor de man waarmee zij samenleefde in Guinee is al ongeloofwaardig bevonden in de vorige procedure.
De beroepsgronden
6. Eiseres voert aan dat haar asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig wordt gevonden. Op alle tegengeworpen tegenstrijdigheden heeft zij een afdoende verklaring gegeven. Over
1. Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 10 januari 2020 (NL19.12580) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 februari 2020 (202000735/2/V3).
de besnijdenis van haar dochter en haar relatie met de man waarmee zij in Guinee samenwoonde, is ze in de eerste asielprocedure verkeerd begrepen.
De beoordeling
7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is.
8. Verweerder werpt terecht aan eiseres tegen dat zij tegenstrijdig verklaart over de besnijdenis van haar dochter. De in deze procedure afgelegde verklaring van eiseres dat de besnijdenis helemaal niet heeft plaatsgevonden, valt namelijk niet te rijmen met het antwoord van eiseres op de in het nader gehoor in de eerste procedure aan haar gestelde vraag of zij bij de besnijdenis aanwezig was. Zij antwoordde toen met ”ja, ik ben ze achterna gegaan”, daarbij verwijzend naar haar schoonmoeder die haar dochter had meegenomen om besneden te gaan worden.2
Verweerder werpt tevens terecht aan eiseres tegen dat zij tegenstrijdig verklaart over de rol van haar oom. In het gehoor in de eerste procedure verklaart eiseres dat zij haar oom om hulp heeft gevraagd bij het voorkomen van de toen door haar gevreesde herbesnijdenis. Ook verklaart ze dat haar oom toen woonachtig was in Ivoorkust zodat zij zich niet eerder tot hem had kunnen richten voor hulp. Haar oom was bij de eerste besnijdenis volgens haar toen afgelegde verklaringen helemaal niet in beeld. In het gehoor in de opvolgende aanvraag stelt eiseres daarentegen dat zij haar oom al had benaderd om die eerste besnijdenis te voorkomen en dat haar oom toen in Guinee woonde.
Eiseres heeft, anders dan zij heeft betoogd, voor deze tegenstrijdigheden geen afdoende verklaring gegeven. Dat zij verkeerd zou zijn begrepen, wordt niet gevolgd. Eiseres heeft, zo blijkt uit het nader gehoor in de eerste procedure, verklaard dat zij de tolk goed heeft kunnen begrijpen, dat het gesprek goed is verlopen en dat ze geen aan- of opmerkingen had over de totstandkoming van het gehoor.
9. Verweerder stelt zich tevens terecht op het standpunt dat eiseres tegenstrijdig verklaart over haar relatie met de man met wie zij, samen met haar dochter, in Guinee samenwoonde. Bij haar eerste aanvraag verklaart eiseres gehuwd te zijn en bij haar opvolgende aanvraag verklaart ze een alleenstaande moeder te zijn. In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor in de eerste procedure is geen correctie aangebracht op het verslag van het gehoor op dit punt. Sterker nog, de termen “echtgenoot” en “schoonmoeder” zijn ook hier genoemd. De verklaring van eiseres dat de vermelding dat zij gehuwd zou zijn, een misverstand betreft, wordt dan ook niet gevolgd.
De in deze procedure door eiseres overgelegde ongehuwdverklaring geeft geen reden om er van uit te gaan dat eiseres ongehuwd is. Bureau Documenten heeft blijkens de verklaring van onderzoek van 21 september 2021 geen uitspraak kunnen doen over de opmaak en afgifte en de juistheid van de inhoud van dit document. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de gegevens in deze ongehuwdverklaring niet overeenkomen met wat eiseres in haar eerste procedure heeft verklaard over haar woonplaats en het moment van het beëindigen van haar scholing.
10. Verweerder stelt zich ook niet ten onrechte op het standpunt dat de vrees van eiseres voor de man in Guinee waar zij met haar dochter mee samenwoonde,
2 Pagina 6 van het rapport nader gehoor.
ongeloofwaardig is. Eiseres houdt op dit punt vast aan haar verklaringen uit de vorige procedure. Dat verweerder die verklaringen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden, is in rechte komen vast te staan.
11. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Documentcode: DSR19160998

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.