ECLI:NL:RBDHA:2022:9662
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening na besluit op bezwaar verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 18 maart 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
Op 30 juni 2022 heeft de staatssecretaris het bezwaar behandeld en een besluit genomen. Omdat het bezwaar is afgehandeld en er geen beroep is ingesteld binnen de daarvoor geldende termijn, is het verzoek om een voorlopige voorziening niet ontvankelijk. Dit volgt uit artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dat vereist dat er een bezwaar of beroep aanhangig moet zijn om een voorlopige voorziening te kunnen verzoeken.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld en verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar is afgehandeld en er geen beroep is ingesteld.