ECLI:NL:RBDHA:2022:9656
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk te verklaren.
De voorzieningenrechter heeft het verzoekschrift beoordeeld en vastgesteld dat het geen gronden bevatte, terwijl deze volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht zijn om het verzoek ontvankelijk te maken. Verzoeker is per aangetekende brief verzocht alsnog binnen vier weken gronden in te dienen, maar heeft hier geen gehoor aan gegeven.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard en is het verzoek niet inhoudelijk behandeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.