ECLI:NL:RBDHA:2022:9516

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 september 2022
Publicatiedatum
20 september 2022
Zaaknummer
NL21.9632
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker heeft tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, waarbij zijn verblijfsvergunning is ingetrokken en een inreisverbod van tien jaar is opgelegd, bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld. Tijdens de procedure heeft de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld op grond van de Algemene wet bestuursrecht.

De voorzieningenrechter constateert dat het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit reeds door de rechtbank is ongegrond verklaard, waardoor er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer is. Op grond hiervan wordt het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter J.J.P. Bosman en griffier C.M. van den Berg, en is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2022. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds ongegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.9632

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2022 in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning van verzoeker ingetrokken en een inreisverbod voor 10 jaren opgelegd.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder in het besluit van 28 oktober 2021 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.
2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Bij uitspraak van vandaag [2] heeft de rechtbank het hiervoor genoemde door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Zaaknummer NL21.17214.