ECLI:NL:RBDHA:2022:9508

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 september 2022
Publicatiedatum
20 september 2022
Zaaknummer
NL22.8098
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VreemdelingenwetArt. 8:83 lid 3 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak na ongegrondverklaring bezwaar

Verzoekster heeft bij besluit van 8 juli 2021 een aanvraag gedaan voor toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet, welke is afgewezen door verweerder. Na bezwaar en een daarop volgend besluit van 15 april 2022 waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard, heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het verzoek om een voorlopige voorziening werd ingediend om het primaire besluit te schorsen gedurende de beroepsprocedure. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en daarbij het onderliggende beroep betrokken.

Omdat in een gelijktijdige zaak met nummer NL22.8097 het beroep niet-ontvankelijk is verklaard, is het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het onderliggende beroep niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.8098

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[Naam], verzoekster

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. O. Sarac),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 15 april 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag in de zaak met nummer NL22.8097 heeft de rechtbank het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft niet-ontvankelijk verklaard. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.