ECLI:NL:RBDHA:2022:9508
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak na ongegrondverklaring bezwaar
Verzoekster heeft bij besluit van 8 juli 2021 een aanvraag gedaan voor toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet, welke is afgewezen door verweerder. Na bezwaar en een daarop volgend besluit van 15 april 2022 waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard, heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd ingediend om het primaire besluit te schorsen gedurende de beroepsprocedure. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en daarbij het onderliggende beroep betrokken.
Omdat in een gelijktijdige zaak met nummer NL22.8097 het beroep niet-ontvankelijk is verklaard, is het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het onderliggende beroep niet-ontvankelijk is verklaard.