ECLI:NL:RBDHA:2022:9492
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening inzake intrekking verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaard
Verzoeker heeft een verblijfsvergunning waarvan de geldigheid is ingetrokken met terugwerkende kracht tot 13 maart 2016. Na een primaire afwijzing en een beslissing op bezwaar die door de rechtbank werd vernietigd, heeft de staatssecretaris opnieuw het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker stelde beroep in tegen dit bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb zonder zitting uitspraak gedaan. Omdat de rechtbank op dezelfde dag het beroep van verzoeker ongegrond verklaarde, is er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer. Hierdoor is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar en er staat geen hoger beroep of verzet tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een lopende bezwaar- of beroepsprocedure.