ECLI:NL:RBDHA:2022:9419
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot beëindiging ouderlijk gezag van moeder over minderjarige in pleeggezin
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige te beëindigen en de gecertificeerde instelling tot voogd te benoemen. Dit verzoek was gebaseerd op de kwetsbare situatie van de minderjarige, die sinds 2018 in een pleeggezin woont vanwege eerdere onveilige thuissituaties en een forse ontwikkelingsachterstand. De Raad stelde dat het opvoedperspectief bij de pleegouders ligt en dat verplichte hulpverlening noodzakelijk blijft.
De gecertificeerde instelling en de moeder zelf verzetten zich tegen het verzoek. De gecertificeerde instelling vond dat er geen grond was voor gezagsbeëindiging en dat de hulpverlening in een vrijwillig kader kon worden voortgezet. De moeder werkt mee aan de hulpverlening en heeft het verblijf van de minderjarige bij de pleegouders geaccepteerd.
De rechtbank overwoog dat de ontwikkeling van de minderjarige niet langer ernstig wordt bedreigd, dat de moeder betrouwbaar is en haar gezag niet misbruikt. Er is geen noodzaak om het gezag te beëindigen om duidelijkheid te scheppen over het verblijf van de minderjarige. De samenwerking tussen moeder en pleegouders verloopt goed en de hulpverlening kan vrijwillig worden voortgezet.
Daarom wees de rechtbank het verzoek van de Raad af en handhaaft het ouderlijk gezag van de moeder, waarbij de minderjarige in het pleeggezin blijft wonen met een op afstand uitoefening van het gezag door de moeder.
Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder wordt afgewezen.