ECLI:NL:RBDHA:2022:9183
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis wegens niet voldoen aan voorwaarden en geen schending hoorplicht
Eisers, de moeder en zus van een in Nederland verblijvende Syrische asielvergunninghouder, hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Deze aanvragen werden door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat eisers niet tot de categorieën personen behoren die recht hebben op een afgeleide verblijfsvergunning volgens artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Eisers voerden aan dat zij wel degelijk tot het gezin van referent behoren en dat verweerder had moeten toetsen op grond van artikel 8 EVRM Pro, inclusief een belangenafweging en het horen van partijen. De rechtbank oordeelt dat de wet en jurisprudentie duidelijk maken dat alleen ouders van een alleenstaande minderjarige vreemdeling in aanmerking komen voor nareis en dat de moeder en zus van een meerderjarige asielvergunninghouder hier niet onder vallen.
Verder stelt de rechtbank dat verweerder niet gehouden was een uitgebreidere toets aan artikel 8 EVRM Pro te verrichten bij deze aanvraag en dat eisers vrij staan een reguliere aanvraag in te dienen voor een dergelijke toets. De rechtbank oordeelt ook dat de hoorplicht niet is geschonden omdat het vooraf duidelijk was dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvragen in het kader van nareis wordt ongegrond verklaard.