ECLI:NL:RBDHA:2022:9150
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken reëel risico op ernstige schade in Algerije
Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende asielzoeker, vreesde terugkeer naar Algerije vanwege bedreigingen door een criminele groep en vermeende onmogelijkheid tot bescherming door autoriteiten. De staatssecretaris wees zijn asielaanvraag af als kennelijk ongegrond, waarbij werd aangenomen dat geen reëel risico op ernstige schade bestond en dat eiser zich mogelijk te kwader trouw van zijn paspoort had ontdaan.
Eiser voerde in beroep aan dat hij nergens in Algerije veilig zou zijn en dat de autoriteiten geen bescherming bieden vanwege foltering. Hij verwees naar een brief van het Ministerie van Justitie en Veiligheid die Algerije niet langer als veilig land van herkomst aanmerkt. Tevens stelde hij dat het standpunt over het achterlaten van zijn paspoort onvoldoende gemotiveerd was.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij overal in Algerije met dezelfde problemen geconfronteerd zou worden of dat hij geen bescherming van de autoriteiten kon verwachten. De toegenomen meldingen van foltering rechtvaardigen volgens de rechtbank niet de vrees van eiser zelf slachtoffer te worden. Ook werd geoordeeld dat het achterlaten van het paspoort in Frankrijk duidt op kwade trouw om terugkeer te bemoeilijken.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de asielaanvraag definitief afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.