ECLI:NL:RBDHA:2022:8999
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens vermoedelijke drugshandel
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de burgemeester van Leidschendam-Voorburg besloten een woning voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege vermoedelijke handel in harddrugs. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De politie had na een melding onderzoek gedaan en onder meer een schepactie uitgevoerd waarbij drugs en attributen voor drugshandel werden aangetroffen. Verzoekster werd in het politiebureau aangetroffen met 2,7 gram cocaïne. Verzoekster betwistte de handel en stelde onder meer dat de drugs niet in de woning waren aangetroffen en dat de aangetroffen spullen ook huishoudelijke attributen konden zijn.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten omdat de hoeveelheid drugs de grens voor eigen gebruik overschrijdt en het niet vereist is dat verzoekster kennis had van de drugs. De sluiting was noodzakelijk voor het herstel van de openbare orde en veiligheid, mede gelet op verklaringen van bezoekers en de aangetroffen drugshandelattributen.
Hoewel de sluiting grote gevolgen voor verzoekster heeft, waaronder mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst en opname op een zwarte lijst, achtte de voorzieningenrechter het belang van de openbare orde zwaarder dan dat van verzoekster. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wegens vermoedelijke drugshandel wordt afgewezen.